Main Content

Nederlandse geleerde ontdekte mutatie- en gen-theorie De Beagle 3: Darwin en Hugo de Vries

  • 11 augustus 2009
<p>Hugo de Vries gefilmd door Polygoon</p>
Zoom

Hugo de Vries gefilmd door Polygoon

Bijlage 2 van /Geschiedenis bij De Beagle - In het kielzog van Darwin

Nederlandse geleerde ontdekte mutatie- en gen-theorie

In het spoor van Charles Darwin ontwikkelde de Nederlander Hugo de Vries (Haarlem 16-2-1848 - Lunteren 21-5-1935) de moderne evolutie-theorie. Darwin ging er nog vanuit dat sociale en milieufactoren de geleidelijke verandering van soorten bewerkstelligde, Hugo de Vries toonde aan dat mutatie van zogenaamde "pangenen", later verkort tot "genen", de evolutie van soorten bewerkstelligde. Daarmee verenigde De Vries (met zijn collega-onderzoekers de Duitser Carl Correns en de Oostenrijker Erich von Tschermak) de theorieën van Mendel en Darwin en werd daarmee de grondlegger van de moderne evolutiebiologie.

In 1875 werd De Vries het hoogleraarschap aan de op te richten Landwirtschaftliche Hochschule in Berlijn aangeboden door het Pruisische Ministerie van Landbouw. Hij verhuisde naar Würzburg en ging onderzoek doen aan rode klaver, aardappel en suikerbiet. Omdat de stichting van de Hochschule in Berlijn uitbleef werd hij in 1877 privaatdocent in de fysiologie van cultuurplanten aan de Königlichen Vereinigten Friederichs Universiteit van Halle-Wittenberg. Bij zijn aantreden schreef hij een artikel over zijn onderzoek naar osmose en plasmolyse bij de plantencel. Nog geen jaar later keerde hij naar Nederland terug en werd lector in de experimentele plantenfysiologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Nog in hetzelfde jaar van zijn benoeming tot lector werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de fysiologie en de anatomie gevolgd in 1881 tot de benoeming van gewoon hoogleraar. Zijn oratie in 1878 ging over 'De ademhaling der planten'. Vanaf 1880 gaf hij onder meer college over de variabiliteit van planten. Als hoogleraar gaf hij vooral college in de geneeskunde en de farmacie.

In 1891 richtte De Vries samen met Jan Ritzema Bos de Nederlandsche Phytopathologische Vereeniging (tegenwoordig de Koninklijke Nederlandse Plantenziektekundige Vereniging) op.

Hij werkte in de Hortus Botanicus Amsterdam en werd in 1896 tevens directeur hiervan. Onder zijn leiding werd de Hortus sterk uitgebreid.

In 1906 schreef hij in de Franse taal een artikel over de theorie van Darwin en de landbouwkundige selectie. ('La theorie darwinienne et la selection en agriculture').

Hugo de Vries ging in 1918 op zeventig-jarige leeftijd met emeritaat en hield een afscheidscollege over 'Van amoebe tot mensch'. Hij ging in Lunteren wonen en kruiste daar verder met de teunisbloem.

Mutatietheorie

Hugo de Vries had sinds 1889 geëxperimenteerd met het kweken en kruisen van planten, zoals aster, chrysanten en viooltjes. Op grond van deze experimenten concludeerde hij dat het karakter van een plant, het erfelijk materiaal, was opgebouwd uit bepaalde eenheden. Iedere eigenschap (bijvoorbeeld de kleur van de bladen) correspondeert met andere woorden met een specifieke materiaaldrager of overbrenger. Later zou dat de 'genen' genoemd worden.

In 1901 en 1903 schreef Hugo de Vries de twee delen van het boek 'Die Mutationstheorie' In 1907 publiceerde hij zijn boek 'Het veredelen van Kultuurplanten' in het Engels, dat door P.G. Buekers vertaald werd in het Nederlands en dat een jaar later verscheen. Hugo de Vries heeft veel onderzoek gedaan aan de Grote teunisbloem. Hij vond bij deze plant sprongsgewijze veranderingen en dacht dat hij met mutaties te maken had, maar in werkelijkheid bleken deze veranderingen te ontstaan door de speciale chromosoomparing en recombinatie van deze plant. Bij de recombinatie worden de chromosomen van de moeder- en van de vaderplant opnieuw verdeeld.

Bij andere gewassen, speciaal de zelfbestuivers, zat hij wel op het goede spoor van de erfelijkheidsleer. Bij de vererving bij de kruisbestuivers zat hij echter in het algemeen ook niet op het juiste spoor.