Main Content

Verslag van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela Het pad is het doel: deel 2

  • 27 augustus 2009
  • Erik van den Berg
<p>De kathedraal in Santiago de Compostela</p>
Zoom

De kathedraal in Santiago de Compostela

Jaarlijks arriveren duizenden pelgrims bij de kathedraal in Compostela, waar het graf van de apostel Jakobus zou liggen. Vele honderden kilometers worden afgelegd, bij voorkeur te voet. Erik van den Berg, redacteur bij Geschiedenis 24, liep de pelgrimstocht naar Compostela. Deel twee van een historisch reisverslag in zeven stappen.

Alle begin is moeilijk. Een vrije dag in UNESCO-stad Saint-Jean-Pied-de-Port is heerlijk, maar het begint toch te kriebelen. Het eerste stempel is binnen, de jacht kan geopend worden. De volgende ochtend zeg ik 'au revoir' tegen de lieve gastvrouw. Nadat ik de stadspoort verlaat, begint het pad: Rué de Maréchal Harispe. Dit is het laatste stukje van de 'Franse Camino', de Chemin de Saint Jacques. Stijl omhoog, de wolken in. Het regent licht. Vlak voor vertrek vertelde de herbergier me dat hier in februari door slecht weer nog twee pelgrims zijn omgekomen. Ze waren verdwaald in de mist en onderkoeld geraakt.

Surreëel

Eerste doel is de top op ruim veertienhonderd meter, de Col Lepoeder. En dan nog de afdaling. Na enkele stappen op het asfaltweggetje weet ik dat het menens is. Brandende kuiten, een razend hart. Wat doe ik hier in godsna – geen gezeur: doorlopen. Ik ben niet alleen. Af en toe passeer ik pelgrims, die zich een weg door de wolken nordic walken. TIK, TAK...Tik, Tak...tik...tot ik weer alleen loop. Dat bevalt me.

Het is een surreële ervaring. Wolken dempen het geluid tot een verdoofde stilte overblijft. Alleen je eigen doffe stappen. Nog geen tien meter zicht. Koeienbellen uit het dal. Een handvol sneeuw tegen je voorhoofd. Als ik om me heen kijk kan ik niet geloven dat ik hier loop. Alles is zo ontzettend anders dan thuis en dit is pas het begin.

Als ik de top bijna heb bereikt breekt de lucht open. Ik schuif aan bij een Mexicaanse jongen die naast het pad ligt te genieten. Het uitzicht is adembenemend. Witte bergtoppen tot de horizon en door het dal meanderen de wolken.

Moren?

Vlak voor de Spaanse grens herinnert de klaterende Fontaine de Roland aan een lang vervlogen tijd. In de Middeleeuwen werden deze paden druk betreden. Hier ligt de Ibañatapas. Het was de belangrijkste route om de Pyreneeën over te steken. Drie Franse wegen kwamen hier bijeen en de klim was relatief gemakkelijk. Op deze plek werd een van de bekendste veldslagen uit de Middeleeuwen uitgevochten. Inderdaad, die uit het Roelantslied.

Het jaar 778. Na een mislukte campagne tegen de Moren trekt het Frankische leger van Karel de Grote zich terug uit Spanje. Terwijl ze de Ibañatapas oversteken, worden de achterste troepen van het leger, met daarin ridder Roelant, aangevallen door de Basken. Zij willen wraak nemen op de verwoesting van Pamplona door de Franken. Roelant en elf andere soldaten worden gedood.

Het twaalfde eeuwse Roelantslied verdraait de boel een beetje: de Basken zijn opeens Moren, Roelant is de dappere held en Karel de Grote de redder van het christendom. Een versie die goed uitkwam in een tijd dat Spanje tegen de Moren vocht. Mischien is het nog banaler: Roelant en co. zouden zijn aangevallen door struikrovers.

'Wij zijn op zoek naar mensen die wat over de camino willen vertellen.' Bovenop de Pyreneeën word ik aangesproken door een Schotse. Ze is bezig met een documentaire over de camino en wil me interviewen. 'Sure', antwoord ik. Een half uur lang zit ik voor de camera. Ik weet me geen raad met de vragen: waarom ik de Camino loop? Wat de zin van mijn leven is? Gek genoeg is de crew onder de indruk van mijn antwoorden. Volgens mij klets ik maar wat af. Dit zullen ze tijdens de montage wel ontdekken. Ik zeg in ieder geval dat ik het doel van de reis onderweg te weten kom. Dat zal inderdaad zo blijken.

Minsk

Dan de afdaling. Na wat startproblemen vond ik een prettige tred op de weg omhoog en haalde ik de top uiteindelijk vrij gemakkelijk. Omlaag is een ander verhaal. Mijn linkerknie wil niet meer. De stok die ik vind helpt en ik begin zowaar een echte pelgrim te worden, fluitend door het Spaanse woud.

Ik overnacht in Roncesvalles. Een eeuwenoud Gotisch hospice (Casa Itzandeiga), gevuld met stapelbedden en stinkende pelgrims. Heerlijk. Na een verkwikkende douche en een korte nap is het etenstijd. Het eerste avondmaal van de Camino: een stuk of honderd pelgrims gestouwd rond tafeltjes in de lokale bar en het eerste samenzijn als groep.

Dit voelt even onwennig als spannend. Wie zitten er met mij rond de tafel? Waarom lopen ze de Camino? Ik zie drie Zwitserse vriendinnen van eind veertig, die ook in het dieseltreintje van Bayonne naar Saint-Jean zaten. Een herkennende glimlach. Rechts twee weelderige brunettes. Ze blijken Argentijns en Braziliaans. De Fransman voor me vuurt verplichte vragen rond de tafel: wie is wie, waar vandaan, wat ze doen? Hij gaat maar door.

Meer interesse heb ik in de vrouw die links naast me zit. Ze ziet mij ook wel zitten. Ik sprak haar eerder op weg naar de top. Ze vertelde dat ze de Camino loopt omdat ze 'van wandelen houdt'. Op mijn beurt kon ik niet meer uitbrengen dan dat de camino een duidelijk doel was en 'het goed voor me zal zijn'. Ik gaf toe dat ik eigenlijk niet wist wat de hoofdreden was.

Aan tafel neemt het gesprek een aparte wending. Ze is 28 jaar, afkomstig uit Minsk - 'No, not Ukrain! Belarus.' - en woont nu in Keulen. Ze heeft van alles gedaan. Was advocate, journaliste en heeft nog muziekles gegeven. Niets kon haar boeien. Dan komt de aap uit de mouw. Ze heeft een hekel aan werken, geeft ze toe. 'I want to sleep until twelve 'o clock in the morning. I'm very lazy.'

Ik vraag door. Wat ze doet voor de kost. 'I have sex with men', zegt ze ongegeneerd. Af en toe, niet regelmatig. Het betaalt erg goed, dus ze hoeft daardoor minder te werken. 'And I like it,' grijnst ze. Haar vrienden accepteren haar, benadrukt ze. Ik weet niet zo goed wat ik hiervan moet vinden. Eigenlijk past dit wel bij haar. Ze komt over als iemand die compromisloos is en doet waar ze zin in heeft. Ik vind dit van lef getuigen. Als ze er dan ook nog van geniet...

Toch laat ik de spanning tussen ons voor wat het is. Ik besluit dat ze me te vreemd en te radicaal is. Later wordt ze door iemand de verkeerde kant opgewezen. Ik zal haar niet meer terug zien.

Boem

De volgende ochtend in Roncesvalles weten de slapende pelgrims niet wat er gebeurt. Om een uur of zes klinkt Gregoriaans gezang. Het is een van de Nederlandse (!) vrijwilligers van de herberg die ons komt wekken. Net als ik hoop dat het ophoudt, gaat de stereo aan met een soort pelgrimshouse: 'Camino – boem, boem – de Santiago – boem, boem!'

Roncesvalles is een klein plaatsje vol Middeleeuws erfgoed. De Augustijner abdij werd in de twaalfde eeuw gebouwd en de dertiende eeuwse kerk voor Santa Maria zal niet de laatste op de camino zijn. Hoewel ik in Spanje ben, ben ik vooral in Baskenland. Naamplaatsen staan standaard tweetalig op de borden.

Basken noemen Roncesvalles Orreaga. Ik zie namen voorbijkomen als Imbuluzqueta, Zariquiegui en talloze woorden met x-en. De taal (Euskara) is totaal anders dan het Spaans en het is soms een raadsel hoe je de namen uitspreekt. Een voorbeeld: 'spreek je Engels?' luidt in het Baskisch 'Ba al dakizu ingeleraz hitz egiten?'. Het is de laatst overgebleven pre-Indo-Europese taal in West-Europa. De Baskische roep om onafhankelijkheid klinkt terug in graffiti langs de route.

Mensen, mensen

De eerste tijd verloopt in een roes. Zoveel indrukken. Het rap rollende Spaans, melige tortilla's met patatas bravas, massa's naaktslakken op de paden, Maar bovenal ontmoet ik mensen, mensen, en nog eens mensen: Mario, de Mexicaan van de bergtop met zijn cowboyhoed, de hoer uit Minsk die mij wel ziet zitten, de bleke Brit die pokerprof is en Arupa, de Tsjechische die bij elke stop een pul shandy drinkt. En dan nog alle korte gesprekken met grijs bebaarde Duitsers, Italiaanse huisvrouwen met hun dochter en Brazilianen op hun heilige missie. Contact maken gaat erg soepel en tussen de pelgrims heerst een gemoedelijk wij-gevoel.

Op wandeldag drie passeer ik de prachtige Trinidad de Arre-brug, Villava, geboorteplaats van Miguel Indurain en Pamplona (Iruñea), hoofdstad van autonome regio Navarra. Ik drink er een biertje in het café waar Ernest Hemingway zich bezatte, terwijl ik denk aan de plezierjacht op stieren. De calamari's op mijn bord smaken goed. Ik beleef mijn eerste dienst ooit in het tempelierskerkje van Cizur Menor, versta niets van wat de priester zegt, maar na afloop giert er een intense energie door mijn lijf. Ik kom voorbij de wijnfontijn van Bodegas Irache en waai leeg onder een ongekend felle zon.

Tijd vertraagt

Als ik op dag zeven de stad Logroño nader staat er een kraampje naast het pad. Een plek om een stempel te ontvangen, of Caminospeldjes en Jacobsschelpen te kopen. 'Hey Erik!' hoor ik ineens. Hoe het met me gaat. 'Goed', zeg ik tegen de vrouw voor me. Maar wie ben jij, denk ik ondertussen. Dat wordt me na enige tijd duidelijk. Het is de Schotse die me interviewde op dag één. Ik geef toe dat ik haar niet herkend had. Dit zag ze meteen al, vertelt ze me. Vreemd: het interview was amper een week geleden, toch lijkt het veel langer terug. Nu ik er zo over nadenk, elke dag voelt ook als een maand aan indrukken, gedachten en (ver) gezichten.

Het kost me ongeveer een week te wennen. Ik wen aan de vaste pelgrimsgroet 'Buen camino'. Aan de slaapzalen vol stapelbedden met altijd een paar ronkende Sovjettanks. Aan zoveel pelgrims, dat de camino wel een polonaise lijkt en je dezelfde mensen keer op keer blijft groeten. En aan de stilte. Stilte, die met elke stap dieper mijn gedachten binnensijpelt. Ik voel me thuis op pad.

Klik hier voor het vorige deel

Klik hier voor het volgende deel