Heel Nederland luisterde naar Willem Mengelberg Olympisch Stadion in ban van Concertgebouworkest
Het Olympisch Stadion in de ban van het Concertgebouworkest
" />- Zoom
Het Olympisch Stadion in de ban van het Concertgebouworkest
Op 2 juni 1934 keek een gevuld Olympisch Stadion ademloos naar een uniek optreden van het Amsterdamse Concertgebouworkest en het Haagse Residentieorkest. Precies 75 jaar geleden haalden de orkesten zo een hoop geld op in de sporttempel. Kijk hier naar de originele filmbeelden!
Heel Nederland luisterde naar Willem Mengelberg
Precies 75 jaar geleden hadden het Concertgebouworkest en het Residentieorkest grote financiële problemen. Hierdoor werden de salarissen verlaagd van de muzikanten en het ondersteunend personeel. Dat leidde op 11 maart 1934 tot een bijzondere rel, waarin minister Hendrik Pieter Marchant van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een centrale rol speelde. Op die dag werd in het Olympisch Stadion de voetbalwedstrijd Nederland – België gespeeld, waarvoor de minister als eregast was uitgenodigd. Op het banket na afloop vroeg hij aandacht voor de beroerde positie van het Concertgebouworkest.
Tegen de aanwezige voetbalbestuurders zei hij: “De regeering kan in dezen tijd niet tot verhooging van subsidie overgaan: de rijksmiddelen laten dat niet toe. Daarom wil ik overgaan tot een steunactie, waaraan ook het publiek bijdraagt. Toen ik Zondag zag dat voor voetbal de beurzen nog wel opengaan, was mijn gedachte, dat dan de voetbalsport wellicht iets aan die steunactie zou kunnen bijdragen. Ik hoop dan ook van harte, dat de KNVB voor dit prachtige doel wat geld zal willen geven.”
Het was een bijzonder vreemde oproep, want nergens maakte Marchant duidelijk waarom juist de Nederlandse voetbalwereld deze steun moest verlenen om zo de problemen van het Nederlands kunstbeleid op te vangen. Dat vond de KNVB ook, die medewerking weigerde.
Naar het Olympisch Stadion
Er was dus nog steeds geen geld voor het Concertgebouworkest. Op 18 april 1934 meldden de kranten echter dat er op zaterdag 2 juni in het Olympisch Stadion een optreden zou zijn van het Concertgebouwgebouworkest en het Residentieorkest. ‘Dr. Willem Mengelberg heeft zich bereid verklaard dit concert te dirigeren’, aldus dagblad Het Vaderland. ‘De ontvangst zal geheel ter beschikking worden gesteld van de besturen der beide orkesten.’
Om het nog mooier te maken stond het hele concert in het teken van een oproep voor de vrede. Daarom werd het rechtstreeks uitgezonden door de radio tot in de Verenigde Staten en de koloniën toe als een Nederlandse waarschuwing tegen de gevaren van oorlog.
Het liep daarna storm, want dit wilden de liefhebbers niet missen. Een klassiek concert in een sporttempel – unieker kon het niet. De Leeuwarder Courant schreef op 26 mei 1934: ‘Wij hebben één van de organisatoren gesproken over den plaatsverkoop voor het monsterconcert in het stadion en deze functionaris was enthousiast. De voorverkoop heeft een boven verwachting gunstig verloop. Reeds voor een bedrag van ƒ20.000,- aan plaatsen is verkocht.’
Tot in de verste uithoeken van het land organiseerden mensen zich in comités om ondersteuning te geven aan dit muzikale initiatief. Het Vaderland schreef op 5 mei 1934: ‘Uit informatie is gebleken dat alleen uit de Zaanstreek en uit Twente gezamenlijk op een duizendtal bezoekers mag worden gerekend.’
Belasting
Alleen de gemeente Amsterdam gooide roet in het eten, want ondanks alle mooie bedoelingen eiste ze toch belasting over de opbrengsten. De Leeuwarder Courant schreef cynisch: ‘Van die ƒ20.000,- is natuurlijk twintig procent voor de gemeente, die moet haar stedelijke belasting hebben. Wat heeft tenslotte een gemeente met de kunst te maken en dan nog wel met noodlijdende kunstinstellingen? De gemeente zou hier nu eens een mooi gebaar kunnen maken en het bedrag van deze stedelijke belasting als geschenk aan de beide orkesten aanbieden.’
Het mocht de pret niet drukken, seinde een verslaggever: ‘Men zegt dat alle plaatsen reeds verkocht zijn. Het zal een echt pretje worden want de Amsterdamsche studenten zullen den dirigent Mengelberg in een open rijtuig, met vier paarden bespannen, van zijn huis afhalen en daarna een tocht door de stad naar het Stadion gaan maken. Een soortement entree van een circus dus.’
Op 2 juni was dan eindelijk het concert voor de 24.000 bezoekers in het stadion. En dat terwijl het weer tegenviel met een harde wind, die na zonsondergang zorgde voor de nodige kou. Door die wind was het ook moeilijk om de muziek goed te volgen.
De Maasbode schreef op 4 juni: ‘Tegen half negen betreedt prof. dr. Willem Mengelberg het podium, dat op de Marathontribune is aangebracht en dat met de nationale kleuren de wapens van den Haag en Amsterdam en palmen is versierd. Hij krijgt een ovatie, terwijl kransen worden aangedragen en overhandigd. Dan is het groote moment daar, dat het Stadion zal moeten bewijzen dat het behalve voor allerlei andere demonstraties ook geschikt is voor een openluchtconcert.
Prof. dr. Willem Mengelberg betreedt den katheder, het stokje geeft enkele venijnige tikjes, dan gaan de handen van den dirigent omhoog en worden de eerste maten van diens praeludium op het Wilhelmus ingezet. Het Stadion rijst overeind en iedereen hoort aandachtig het zingen van het nationale volkslied aan. De klanken zwellen aan en komen over de groene grasmat tot ons. Iedereen luistert eerbiedig totdat het Wilhelmus ten einde is en een donderend applaus op de tribune losbreekt.
Dan beklimt Peter van Anrooy het dirigeergestoelte, opnieuw breekt het applaus los en ook de Haagsche dirigent wordt met een krans vereerd. De Piet Hein-rhapsodie weerklinkt tusschen de muren waar anders het gejuich van duizenden supporters loeit. Het is doodstil overal, alleen het geruisch van den wind is hoorbaar en nu en dan weerklinkt een autohoorn boven de muziek uit of het geratel van een treintje, dat snel verdwijnt.
Tenslotte dirigeert prof Mengelberg zelf de Meistersinger van Wagner en de Negende van Beethoven. Het is langzamerhand donker geworden en de lichten boven het podium zijn ontstoken. Daaromheen, op de overige tribunes is het volmaakt duister, een eigenaardige gewaarwording als men aan de vijf en twintig duizend menschen denkt die daar stil en roerloos zitten. Ook buiten op het Stadionplein is het concert te hooren en ook hier staan honderden te luisteren. Omstreeks kwart over tien is het concert ten einde en verlaat het publiek na een gul en dankbaar applaus het Stadion.’ Aldus de Maasbode.
Ruzie
Mengelberg ontving na afloop veel lof tijdens een speciaal banket. Zelf sprak hij de aanwezigen toe: ‘Blijft ons helpen en zorgt vooral, dat de jongere generatie belangstelling zal hebben voor ons muziekleven. Dat de jeugd aan sport doet, valt te prijzen, doch daarnevens moet haar gesuggereerd worden, dat niet alleen een voetbalmatch, maar ook een mooi concert de moeite waard is!”
Na het applaus nam Marchant het woord, die nog steeds woedend was op de voetballers, die het Concertgebouworkest zo in de steek hadden gelaten. In het hart van de Nederlandse sportwereld sprak hij daarom een banvloek uit: “Spreker heeft getracht, onze voetballers erop te wijzen dat zij zich moreel en intellectueel tot een hooger niveau zouden kunnen opwerken, indien zij hun plicht zouden zien om een ander deel van sprekers staatstaak te begunstigen. Zij hebben dat niet gedaan; zij hebben zich blijkbaar op het lage niveau behagelijk gevoeld. Dat zij er op blijven!”
Hierop ontplofte de relatie tussen de minister en de KNVB, die elkaar enkele maanden lang niet meer wilden zien. In oktober 1934 was Marchant zijn woede opeens weer vergeten en dook onverwacht op bij een jubileumfeest van de Haagse Voetbalbond. ‘Hij hield een vlotte geestige speech,’ merkte een verslaggever op, ’waarin hij een enkele maal wat scherp was jegens den KNVB, maar op deze wijze maakte Zijne Excellentie op joviale manier zijn rentree in de voetbalwereld, hetgeen zeer gewaardeerd werd.’
(Jurryt van de Vooren)