Zijn 75e sterfdag Prins Hendrik zorgde voor veel moeilijkheden

- Zoom
- Prins Hendrik
Op 3 juli 1934 overleed Hendrik van Mecklenburg-Schwerin, ofwel prins Hendrik. Hij was de echtgenoot van Wilhelmina en de vader van Juliana. Andere Tijden maakte in 2001 een aflevering over de man, die het Nederlandse koningshuis veel problemen bezorgde.
Zijn 75e sterfdag
De komst van Hendrik in Nederland in 1900 werd aanvankelijk nog toegejuicht: het land leek een ideale schoonzoon in huis te halen. Maar dat veranderde in een paar decennia volledig. Het is nu nauwelijks voorstelbaar wat de monarchie driekwart eeuw geleden allemaal te doorstaan had.
Dat Hendrik onechte kinderen produceerde - en daardoor chantabel werd - is misschien nog te vergoelijken: zo ging het er destijds in de koningshuizen nu eenmaal aan toe. Maar dat hij er miljoenen doorheen joeg (naar de huidige koers zelfs tientallen miljoenen) en dat dat zonder consequenties bleef, is in het krenterige Nederland eigenlijk volstrekt onvoorstelbaar.
Veel verhalen erover waren al lang bekend en gepubliceerd, maar in de biografie van Wilhelmina van Cees Fasseur stonden toch een paar feiten en getallen die het met terugwerkende kracht onbegrijpelijk maken dat de monarchie deze periode zonder kleerscheuren heeft overleefd. Er is maar één conclusie mogelijk: de crisismanagers van Oranje hebben tussen 1914 en 1934 topkwaliteit geleverd.
Een ontmoeting
In de zomer van 1900 vond koningin-moeder Emma het tijd om voor haar 19-jarige dochter een geschikte man te zoeken. Ze was goed thuis in de adel van haar vaderland Duitsland en ze zal dus wel zo haar redenen hebben gehad dat ze haar moederlijke oog liet vallen op een hertog van Mecklenburg. Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur legde aan Andere Tijden uit welke eisen Emma aan kandidaten stelde: “Hij moest van adel zijn, en daarnaast protestant, hij moest zich niet teveel met staatszaken willen bemoeien en hij moest recht van lijf en leden zijn.”
Aan die voorwaarden voldeed hertog Heinrich, die zich tot dan toe niet bijzonder had onderscheiden. Hij was officier in een garderegiment van het Pruisisch leger geweest, maar had zich inmiddels op het overzichtelijke bestaan van landjonker geconcentreerd, een functie die ruime gelegenheid bood voor zijn grootste passie: de jacht. Hij viel bij de eerste ontmoeting, na een bezoek aan zijn oma’s kasteel in Schwarzburg (Thüringen), erg in de smaak bij Wilhelmina en haar moeder. Een andere kandidaat, Hendriks knappe broer Adolf, bleef weg en vergooide daarmee zijn kansen. Omdat hij later een fanatieke nazi werd, is ons land misschien daardoor nog een heel ander bedrijfsrisico bespaard gebleven.
Hendrik en Emma zouden elkaar, na de kennismaking, opnieuw zien in het najaar, oktober 1900. Dat ging in het geniep, want de pers zat er achteraan, ook toen al. Hendriks naam circuleerde in de aan societynieuws gewijde kolommen en ook de gangen van Wilhelmina werden door het journaille gevolgd, zij het niet intensief genoeg om succesvol te zijn.
Hendrik boekte een kamer in een hotel in het plaatsje Höchst in het Odenwald (midden-Duitsland) en Wilhelmina logeerde in het kasteel van Bad König, een dorpje verderop, bij de zwager van Emma, de graaf van Erbach. Daar hebben de twee elkaar een paar keer ontmoet, steeds in gezelschap van Emma en enkele hofdames – zo waren toen de regels. Maar op 12 oktober, tussen kwart over twaalf en half een, mochten de twee zich enige tijd terugtrekken. Een kwartiertje duurde hun eerste echte samenzijn – toen kwamen ze stralend vertellen dat ze verloofd waren.
Cees Fasseur is ervan overtuigd dat Wilhelmina stapelverliefd was op haar Duitse hertog. Hij baseert zich op verklaringen van hofdames en op de verrukte brieven die de jonge koningin aan vertrouwelingen schreef.
Of er sprake was van wederkerigheid is de vraag. Hendrik wilde bedenktijd en er zijn ook wel wat concrete bewijzen van aarzeling voorhanden. Hij moest zijn rustige leven opgeven, zijn vaderland, zijn zorgeloze positie. En hij kreeg er een onbekend nieuw vaderland en een lawine van beperkingen en verplichtingen voor terug. Maar óók een rijke vrouw, de rijkste misschien wel van Europa. Hem was aanvankelijk een eigen staatsinkomen beloofd, maar dat kwam er niet van. Zo’n maatregel vereiste een grondwetsherziening en dat durfde het kabinet-Pierson uiteindelijk niet aan. Hendrik kreeg wel een weduwnaarspensioen in het vooruitzicht gesteld, maar daar koop je weinig voor als je een kerngezonde 20-jarige trouwt.
Bij de onderhandelingen over de huwelijkse voorwaarden konden Hendriks advocaten geen vuist maken op dit punt: ze lieten zich door Wilhelmina’s raadslieden wegspelen, hoewel ze toch uitstekende papieren hadden. De Mecklenburgse juristen die naar Den Haag waren gekomen, slikten hun verlangens in, tot ongenoegen trouwens van Wilhelmina zelf, die bijzonder teleurgesteld was over het schraperige gedrag van de politici waarmee zij samen een regering vormde. Het was of ze reeds voorzag wat voor ellende zou voortkomen uit het besluit Hendrik geen staatsinkomen te geven.
Nu ging ze ertoe over Hendrik een jaarloon van 100.000 gulden uit te betalen, uit eigen zak, althans uit de opbrengst van haar eigen vermogen. Dat was in 1901 overigens niet kinderachtig. Dat bedrag is nooit verhoogd, ook niet toen - na de Eerste Wereldoorlog - de inflatie de helft van de waarde van het geld had doen wegsmelten.
Fouten
Met de wijsheid van wetenschap achteraf beaamt prof. Fasseur dat er rond het huwelijksarrangement ernstige fouten zijn gemaakt. Dat Hendrik geen eigen inkomen had, heeft zich later, toen hij hevige geldnood kreeg, gewroken. En ernstiger nog was het feit dat hij geen functie van belang mocht bekleden. Een positie in de krijgsmacht, al was het maar als adviseur, werd ongewenst geacht: een Duitser in het Nederlandse leger zou een inbreuk betekenen op onze neutraliteit. Ook voor andere posities kwam de prins-gemaal niet in aanmerking. En dat leidde in zijn geval tot verveling, en erger.
Maar in het totaal van de risico-analyse van deze prins-gemaal moet vastgesteld worden dat Hendriks politieke risico miniem was. Hij had hoegenaamd geen interesse in staatszaken, en daar werd hij ook volslagen buiten gehouden. De enige periode waarin hij met politieke argusogen werd bekeken was de Eerste Wereldoorlog. Hendrik was natuurlijk uitgesproken pro-Duits, en dat kon het neutrale Nederland in de problemen brengen. Zo wilde hij in augustus 1914 een keer de grens over om Mecklenburgse officieren, die oprukten richting Frankrijk, te begroeten, maar dat kon worden voorkomen. Echte incidenten hebben zich niet voorgedaan. Voor Hitler of de nazi-ideologie heeft Hendrik, in tegenstelling tot enige familieleden, nooit sympathie getoond. “Dat is dan weer het voordeel van zijn ontbrekende politieke interesse,” zegt Fasseur droog.
Op zijn primaire taak in Nederland, het coproduceren van troonopvolgers, rustte de eerste jaren geen zegen. Wilhelmina’s zwangerschappen eindigden aanvankelijk in miskramen. Op een gegeven moment werd het echtpaar zelfs geadviseerd om twee jaar geen geslachtsgemeenschap te hebben, omdat een nieuwe zwangerschap de verzwakte vorstin teveel zou kunnen worden.
In hofkringen, waar Prins Hendrik, de buitenman, de landjonker, toch al weinig krediet had, werd alle tegenslag aan diens onvruchtbaarheid geweten. Syfilis, luidde de diagnose op afstand. Fasseur gelooft er niet in, al was het maar omdat het huwelijk in 1909 werd bekroond met een gezonde, zelfs ijzersterke dochter, Juliana. Wilhelmina’s biograaf spreekt zelfs van een relatief gelukkig huwelijk, althans tot ongeveer 1914. Vanaf die periode is de glans er wel wat af en lijkt het erop dat het belang van het enige kind de beide echtgenoten nog bij elkaar houdt. Samen slapen is er dan al niet meer bij. Of dat uiteindelijk wel een venerische achtergrond heeft, staat niet vast. Prins Hendrik is in 1912 en 1913 langdurig verpleegd in de midden-Duitse kliniek Hohe Mark, maar Fasseur heeft niet kunnen achterhalen of dat wegens syfilis of wegens reumatische aandoeningen was.
Van Juliana heeft Fasseur meermalen gehoord dat ze het thuis gezellig vond. Moeder las staatsstukken of schreef brieven, de regen tikte tegen de ruiten, en Juliana maakte met haar vader een legpuzzel (toen hij stierf werden er honderden in zijn nalatenschap aangetroffen).
De verwijdering tussen Wilhelmina en Hendrik was onmiskenbaar. Fasseur wijt die minder aan vrouwenaffaires dan aan schuldenkwesties. Dat haar man zijn “vermaak buiten de eigen slaapkamer zocht” (woorden van Fasseur) moet Wilhelmina uiteindelijk geaccepteerd hebben. Zo vreemd was dat in de wereld van de gekroonde hoofden en de gearrangeerde huwelijken nu ook weer niet. Of ze alles geweten heeft wat Hendrik buiten de deur beleefde, is onwaarschijnlijk.
Aan de andere kant gelooft Wilhelmina’s biograaf niet alles wat er over de prins gezegd en geschreven wordt. Dat hij buitenechtelijke kinderen onderhield, is bewezen. “Hendrik was een makkelijke prooi. Als een demi-mondaine, zoals een prostituee toen deftig heette, een kind had gekregen, koos ze, bij gebrek aan sociale voorzieningen, voor de meest gefortuneerde man die ze maar kon aanspreken. En dat was vaak Hendrik. Er viel niets te bewijzen, maar Hendrik kon ook niet bewijzen dat hij niet de vader was. Van DNA had nog niemand gehoord. En zo kwamen de claims los, en de verhalen over de claims. Bewezen is er heel weinig.”
En de heren- en knapenliefde dan, waar in het boek “Van de prins geen kwaad” van Arlman en Mulder volop sprake van is ? Fasseur: “Dat is gebaseerd op volstrekt ondeugdelijke bronnen. Hendrik was dol op vrouwen, maar daar bleef het echt bij. Die verhalen kwamen los doordat hij beschermheer van de padvinderij was, en zich soms in korte broek vertoonde, als een soort ere-hopman. Maar er is echt niets van waar.”
Schulden
Maar dat geldt niet voor de schulden. Die waren er wel degelijk, in overvloedige mate. En die verpestten de sfeer in het huwelijk het meest. Hendriks gegoochel met geld dat hij niet bezat; dat heeft de vorstin in de jaren twintig diep gefrustreerd. Het was dan ook niet gering. Hendrik had nooit geld. Iedereen klampte hij aan voor een lening. Hij stopte het ene gat met het andere. Hij kreeg zo’n reputatie dat niemand meer naast hem durfde zitten op een diner, omdat het gesprek bij het dessert onvermijdelijk op dat ene zou komen. In tijden van diepe wanhoop schreef de prins zelfs geregeld wissels uit, schuldbekentenissen die door derden na verloop van tijd konden worden geïnd. In ruil voor giften waren onderscheidingen van het Rode Kruis te bekomen (Hendrik was daar inmiddels voorzitter van geworden).
Fasseur reconstrueert op basis van de stukken die hij in het Koninklijk Huis-archief heeft ingezien een hele serie schuldsaneringen die tussen 1922 en 1934 ongeveer twee miljoen gulden hebben belopen. En compleet is het beeld dan nog niet eens, want, zo weet Fasseur, “vooral de Rotterdamse havenbaronnen die Hendrik geld geleend hadden, vonden het niet nodig om dat bij de koningin terug te vragen, die lieten die paar tienduizenden guldens of soms zelfs een ton liever zitten.” Als we het totaal toch maar conservatief op twee miljoen gulden schatten, en een door het CBS goedgekeurde voorzichtige factor vijftien op de koopkracht loslaten, dan heeft de prins-gemaal er in die periode vijftien miljoen euro’s van vandaag doorgejast.
Vijftien miljoen euro schuld, dat is in zeker opzicht toch een prestatie, geleverd door de prins-gemaal ondanks de tegenmaatregelen die Wilhelmina trof. Zo stelde ze allereerst de Haagse hoofdcommissaris François van ’t Sant aan om Hendrik in toom te houden. Hij regelde de claims van vrouwen die beweerden moeder te zijn geworden van een prinsenkind, en hij saneerde de schulden. In 1931 werd er zelfs een adjudant/thesaurier aangetrokken om, als een soort financiële waakhond, Hendrik te schaduwen en voor nieuwe leningen te behoeden. Het was de meermalen om zijn dapperheid onderscheiden Atjeh-veteraan H.J. Schmidt, die in dienst trad van Wilhelmina met deze exclusieve opdracht.
Schmidts enige dochter, mevr. Keyzer-Schmidt, weet nog wel dat de prins geregeld bij haar ouders thuis kwam dineren; dat zat ook enigszins in het takenpakket. Als Wilhelmina ’s zomers op haar geliefde paleis Het Loo was, en Hendrik in Den Haag bleef wegens dringende werkzaamheden voor het Rode Kruis, kon hij niet meer in het paleis terecht, want daar hielden ze de keuken niet voor één persoon open. En om te voorkomen dat een lakei in een restaurant steeds een warme maaltijd moest halen, bood Schmidt Hendrik een “tweede kosthuis” aan. Dan werden er vaak gasten te eten gevraagd, die dan natuurlijk de prins wel eens moesten terugvragen, en zo kwam Hendrik de zomer wel weer door. Maar de schulden verdwenen er niet door. “Mijn vader kon zelf ook niet zo goed nee zeggen, hij was net als Hendrik erg goedig,” zegt mevrouw Keyzer-Schmidt. “Het waren eigenlijk vrienden geworden.” Ze gingen ook samen op reis, door Europa. Naar het kuuroord Karlsbad, en vandaar naar Hendriks vrienden in Duitsland, of zijn familie in en rond Schwerin.
Dat kostte ook geld, want behalve aan dure vriendinnen en kinderclaims ging een groot deel van Hendriks overbestedingen naar Duitse familieleden. Hendrik was de jongste van elf, de meesten waren hun bezittingen in 1918 grotendeels kwijt geraakt, en sommigen konden even slecht met geld omgaan als de kleine Heinrich. De halfbroer Paul-Friedrich bijvoorbeeld had een bijna onstelpbare behoefte aan liquide middelen en boorde geregeld de riant gehuwde Hendrik aan. Zo is een betekenend deel van Hendriks schulden naar de familie in Mecklenburg gevloeid, alles aangevuld en bijgepast door koningin Wilhelmina, die in 1934, bij het overlijden van haar “geliefde gemaal” (zoals ze hem in een toespraak noemde), toch op zijn minst een gevoel van opluchting moet hebben gevoeld. De onverwachte dood had het gat in zijn hand gedicht.
Omdat Wilhelmina niet alleen Hendriks jaarloon, maar ook alle schulden uit eigen vermogen bekostigde, was dit enorme financiële echec geen staatszaak. In het Nederland van de eerste helft van de twintigste eeuw waren er buiten de tandeloze pers geen machten die dit soort voor de vorst uitermate ingrijpende gebeurtenissen konden onthullen. En als er al eens een crisis dreigde omdat er een juffrouw met een baby op de arm met een schandaal dreigde, dan waren daar Wilhelmina’s gedienstige crisismanagers die het vuur met de geldbuidel uitsloegen. En zo kon de monarchie heuse schandalen soepel en zonder noemenswaardige kleerscheuren overleven.