Aanhangers van Franco woonden enkele jaren op Waddeneiland Spaanse fascisten op Ameland

- Zoom
Spanjaarden op Ameland
Het is deze week exact zeventig jaar geleden dat de Spaanse Burgeroorlog werd beƫindigd. Op 1 april 1939 plaatste Francisco Franco namelijk zijn generaalszwaard voor het altaar in de kathedraal van Madrid en zweerde dat hij nooit meer oorlog zou voeren. Terwijl er in Spanje veel linkse Nederlanders vochten tegen de fascisten kreeg een groep aanhangers van Franco op hetzelfde moment politiek asiel op Ameland. Andere Tijden maakte hierover een aflevering.
Aanhangers van Franco woonden enkele jaren op Waddeneiland
Van 1936 tot en met 1939 woedde in Spanje een bloedige burgeroorlog tussen links en rechts, tussen een coalitie van communisten, socialisten en anarchisten enerzijds en de aanhangers van generaal Francisco Franco anderzijds.
In de herfst van 1936 werd er hevig gevochten in Madrid. In paniek vluchtten zo’n 5000 Spanjaarden, voornamelijk aanhangers van Franco, naar de diverse buitenlandse ambassades – ook die van Nederland. Die was zo goed als verlaten, want de gezant en zijn secretaris waren direct bij uitbraak van de burgeroorlog naar Nederland teruggeroepen. Er was alleen nog een tijdelijk zaakgelastigde, de Duitser Schlosser, die zich in een lastige situatie bevond. Nederlanders werden vanzelfsprekend toegelaten tot de ambassade, maar de gevluchte Franco-aanhangers zouden de Nederlandse neutraliteit wel eens in gevaar kunnen brengen.
Onderhandelingen
Aanvankelijk werden zij daarom niet binnengelaten. ‘Maar’, schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1937, ‘toen er personen kwamen, die wanneer zij niet werden opgenomen, een zekeren dood tegemoet gingen, kon men niet langer weigeren.’ Tot de eerste Spanjaarden die werden toegelaten behoorden in oktober 1936 de bekende Spaanse schrijver en dichter Fernandez Florez, de vroegere Spaanse gezant in Den Haag, Gonzales Arnao met familie, en een schoonzuster van generaal Franco. Als criterium voor de opneming werd gesteld, dat men in direct levensgevaar moest verkeren. Er werd een tweede huis naast de legatie gehuurd voor de opvang van wat uiteindelijk zo’n 150 Spanjaarden zouden worden.
De Nederlandse regering zat met de vluchtelingen in haar maag. Het voedseltekort werd nijpend, de gevechten in de stad werden steeds heftiger en de ambassadegebouwen puilden uit. Toen van een van de twee gehuurde gebouwen het dak instortte na een granaatinslag, besloot Nederland te onderhandelen met de wankelende Spaanse regering, die inmiddels naar Valencia was gevlucht. De partijen sloten een akkoord: de vluchtelingen uit de Nederlandse, Belgische en Poolse ambassades zouden een gezamenlijke vrijgeleide door Spanje krijgen, op voorwaarde dat de asielverlenende landen erop toe zouden zien dat de ‘weerbare mannen’ onder de vluchtelingen zich niet alsnog in de strijd zouden mengen.
Dinsdag 23 maart 1937 vertrok een groep van 430 vluchtelingen met vrachtauto’s naar Valencia, vanwaar ze per schip naar Marseille voeren. Het waren 250 vluchtelingen uit de Belgische ambassade, veertig uit de Poolse, en 140 uit de Nederlandse. In Marseille bleef een deel van de ‘niet-weerbaren’ achter (voornamelijk vrouwen en kinderen), om terug te gaan naar voor Franco-aanhangers veiliger delen van Spanje. Onder degenen die in Marseille achterbleven waren de schoonzuster van Franco en de oud-gezant met zijn familie. De rest ging per trein verder.
Comité voor slachtoffers van geloofsvervolging
In Parijs en Brussel bleef nog een aantal Spanjaarden achter, zodat de groep die uiteindelijk op 30 maart 1937 in Roosendaal aankwam bestond uit 75 Spaanse vluchtelingen. Zeventig mannen, vier vrouwen en één klein meisje. Het waren advocaten, artsen, studenten, een paar militairen. Bijna allen waren ze van zeer goede komaf. Een van hen was Carlos de Bourbon, een neef van de Spaanse koning.
In Roosendaal stond het ‘Katholieke Comité voor slachtoffers van geloofsvervolging’ klaar om de Spanjaarden hartelijk op te vangen. Het waren tenslotte medekatholieken, die in het verre Spanje gruwelijk werden vervolgd door het Rode Gevaar, door de communisten. Naast een vertegenwoordiger van het ministerie van Buitenlandse Zaken was er iemand van de marechaussee aanwezig, maar de algemene indruk was niet dat er een groep gevangenen aankwam, eerder een groep hooggeëerde gasten. De NRC schreef over de aankomst van de vluchtelingen: ‘Onwillekeurig komt even het beeld van October 1914 toen Antwerpen viel, weer in herinnering, alleen met dit verschil, dat de Spanjaarden, die thans in Nederland geïnterneerd worden, er verzorgder en correcter uitzien dan de Belgen in 1914.’
De grootste groep vluchtelingen kreeg aanvankelijk onderdak in Eindhoven, in het R.K. Gezellenhuis. Zes Spanjaarden uit Eindhoven doken onder, om enkele dagen later in Duitsland te worden opgepakt. Ze waren op weg terug naar Spanje, waar ze aan de kant van Franco wilden gaan vechten.
Waarschijnlijk is het kardinaal de Jong geweest, die als eerste Ameland heeft geopperd. Hij kwam zelf uit het Amelandse Nes, en wist dat er een katholieke gemeenschap bestond die waarschijnlijk niet al te kritisch tegenover de Spaanse katholieken zou staan, van welke politieke voorkeur dan ook. Ameland had verder het grote voordeel dat er slechts een maal per dag een boot naartoe ging, wat de controle op de vluchtelingen uiterst overzichtelijk maakte.
Op 10 juli 1937 kwamen de eerste Spanjaarden aan op Ameland. Ze werden ingekwartierd in Pension Metz in Nes. De commissaris van de koningin in Friesland, Van Harinxma thoe Slooten, vond het maar niets. Hij schreef direct na de komst van de eerste Spanjaarden een boze brief aan de minister van binnenlandse zaken, waarin hij zei te vrezen voor confrontaties met socialistische vakantiegasten op Ameland. De brief had geen resultaat, de Spanjaarden bleven.
Flirten
Met de gevreesde incidenten viel het uiteindelijk erg mee. Commissaris van de Koningin Harinxma thoe Slooten meldde in 1938 dat de Spanjaarden af en toe werden lastig gevallen door ene G.A. uit Nes, die hen steeds beledigde wanneer hij drank op had. De Amelander moest een nacht de cel in en verder zijn geen incidenten gemeld.
Eerder het tegendeel: de meeste Amelanders waren lang niet ontevreden met de komst van de vluchtelingen. De Spaanse Burgeroorlog was ver weg, en niemand hield zich er mee bezig of deze beleefde jonge heren nu van de fascistische, of van de andere kant waren. In een tijd waarin het eiland nog weinig toerisme kende waren ze vooral een aardige exotische afleiding. Al viel er moeilijk mee te communiceren, ze brachten toch wat leven in de brouwerij. En geld in het laatje. De Spanjaarden mochten niet werken, dus ze kaartten veel, liepen over het strand, ze tennisten en voetbalden met de plaatselijke jeugd en – hoe kan het ook anders - ze flirtten met de Amelandse schonen.
De afspraak was, dat de Spanjaarden terug zouden gaan zodra de burgeroorlog voorbij was. Dat was officieel pas op 1 april 1939, maar in februari was de strijd in feite al gestreden. Nederland was één van eerste landen die het nieuwe regime van Franco erkenden. Alle Spanjaarden op Ameland keerden daarom op 13 februari 1939 terug.