De revival van een Unie-man Vijftig jaar geleden: beëdiging kabinet De Quay
Wie had ooit gedacht dat Jan de Quay premier zou worden? Van mei tot september 1940 was De Quay immers regeringscommissaris voor de arbeid geweest bij het ministerie van Sociale Zaken. In een ardiotoespraak noemde hij destijds werken in Duitsland "een vaderlandse plicht". Daarna werd De Quay één van de drie leiders van de "Nederlandsche Unie", een niet-nationaal socialistische beweging die streefde naar samenwerking met de bezetter omdat ze de overwinning van Duitsland als een gegeven beschouwde. Vooral in PvdA-kringen werden de leiders van de Nederlandsche Unie, en vooral De Quay, na de bevrijding als niet-ministeriabel beschouwd. Willem Drees wilde hem om die reden niet in zijn regering hebben.
De revival van een Unie-man
Het was puur toeval dat precies in 1959, toen De Quay betrokken werd bij de kabinetsformatie, Loe de Jong bezig was met zijn eerste versie van het tv-oorlogsepos "De Bezetting". Voor het begin 1960 uit te zenden tweede deel wilde hij aandacht besteden aan "de Unie" en verzocht ook Jan de Quay om een interview. Die weigerde echter, evenals zijn collega's van het driemanschap, Louis Einthoven en Johannes Linthorst Homan. Zij waren op de hoogte van De Jong's negatieve oordeel over hun rol in de Unie.
Gelukkig voor De Quay kwam deel 2 van De Bezetting pas in 1960 op tv, en was het kabinet toen al beëdigd. Wie van "if-history" houdt, kan zich blijven afvragen of De Quay ook premier was geworden als deel 2 van De Bezetting een jaar eerder was uitgezonden. Bekijk via deze website de betreffende passage uit deel 2 over De Nederlandsche Unie, en oordeel zelf.
De Nederlandsche Unie
De Nederlandsche Unie was een Nederlandse politieke beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog, opgericht door een driemanschap bestaande uit Louis Einthoven, Johannes Linthorst Homan en Jan de Quay. Dit driemanschap richtte zich op 24 juli 1940 tot het Nederlandse volk en riep het op zich te verenigen.
'tot doelbewuste arbeid voor het behoud en de versterking van vaderland en volksgemeenschap en tot voorbereiding van de voorwaarden en de wegen van hun bestaan en welzijn in de toekomst.'
Het doel van de Unie was, onder erkenning van de gewijzigde politieke verhoudingen in Nederland en Europa, en in samenwerking met de Duitse en Nederlandse autoriteiten, een maatschappij op te bouwen op basis van een brede nationale samenwerking, een harmonische structuur en sociale rechtvaardigheid.
De oprichters wilden met hun organisatie de NSB de wind uit de zeilen nemen, maar moesten hiervoor wel concessies aan de bezetter doen. Zo meende het drietal in oktober 1940 dat voor naar Nederland uitgeweken Joden een regeling 'noodzakelijk' was. Maatregelen tegen Joden wier familie al generaties in Nederland woonden achtten zij 'onnodig en ongewenst'.
Linthorst Homan ging het verst in de aanpassing aan de nieuwe politieke omstandigheden. Hij knoopte banden aan met de NSB en het Nationaal Front. Toen nauwe samenwerking niet mogelijk bleek, onder meer omdat de Nederlandsche Unie geen verbod voor Joodse leden wenste in te stellen, poogde Linthorst Homan vertegenwoordigers van beide organisaties in de Raad van Advies van de Nederlandsche Unie opgenomen te krijgen. In december 1940 leidde dit bijna tot het uittreden van Einthoven en De Quay. De leden van de Unie bleven over het algemeen onkundig van deze perikelen. Zij waren veelal slechts lid geworden om te laten zien dat ze tegen de NSB en de Duitsers waren, droegen trots hun Unie-speldje, bevestigden een Unie-vlaggetje aan hun fiets, en bekommerden zich niet om de koers van de Unie-leiding.
In het voorjaar van 1941 besloot het driemanschap een instituut voor actieve leden niet open te stellen voor Joden. Tot een gedwongen vertrek van Joden kwam het echter niet. Een verzoek van het driemanschap aan mr. L. E. Visser van de Joodse Coördinatie Commissie (JCC) om Joden te adviseren zich uit de Nederlandsche Unie terug te trekken, legde deze naast zich neer. Met name na de inval van Duitsland in Rusland (Operatie Barbarossa, 22 juni 1941) werd door de Duitse bezetter van de Nederlandsche Unie een pro-Duits standpunt verwacht. Dat bleef echter uit. In december 1941 werd de organisatie door de Duitse bezetter verboden.
Op haar hoogtepunt had de Nederlandsche Unie ongeveer 1 miljoen sympathisanten. Hiervan waren ongeveer 600.000 personen lid. De Nederlandsche Unie gaf het weekblad De Unie uit met een oplage van 314.000 exemplaren.
Het klaarblijkelijk aanvaarden van de als gevolg van de Duitse inval ontstane situatie, was tijdens de bezetting - maar zeker daarna - aanleiding voor fundamentele kritiek op de Nederlandsche Unie: defaitisme en een onnationale houding. Het defaitisme bleek uit het aanvaarden van de onherroepelijkheid van de Duitse suprematie in Europa en de onnationale houding uit de bereidwilligheid tot samenwerking met de bezetter. Daarnaast suggereerde het optreden van de leiders van de Nederlandsche Unie een zekere minachting voor de parlementaire democratie en een duidelijke voorkeur voor de inrichting van Nederland als een corporatieve staat. Deze overigens wijdverbreide denkbeelden vertoonden enige overlap met die van de fascistische staatsinrichting. (Kanttekening: na de oorlog werd overgegaan tot de instelling van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties zoals de productschappen, uitingen van de corporatieve staat.)
De historicus Loe de Jong heeft in zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog geen goed woord over voor het driemanschap, dat hij van collaboratie beschuldigde. Later is men hier genuanceerder over gaan denken. De Nederlandsche Unie heeft waarschijnlijk de groei van de NSB afgeremd, waardoor deze nimmer tot een massabeweging kon uitgroeien en door de Duitse bezetter niet serieus werd genomen.
De Quay na de oorlog
Van 1946 tot 1959 was De Quay Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Brabant. Politiek gezien leek dat voor hem het hoogst haalbare. Maar toen KVP, CHU, ARP en VVD een meerderheid kregen bij de verkiezingen, kwam De Quay opeens bovendrijven als premier. De KVP mocht immers als grootste partij de premier leveren, en niemand had zoveel politieke ervaring als de psycholoog uit Den Bosch.
Tijdens de kabinetsperiode kwam het conflict rond Nederlands Nieuw-Guinea tot een hoogtepunt. Met name minister Luns van Buitenlandse Zaken was fel tegen overdracht van het gebied aan Indonesië. Het kabinet nam een wet aan die het mogelijk maakte Nederlandse militairen zonder hun toestemming naar Nederlandse overzeese gebieden te sturen. Op een informele ontmoeting met de pers op 5 september 1960 liet premier De Quay zich ontvallen dat Nederland streefde naar internationalisering van het probleem rond Nieuw-Guinea. Dit leidde bijna tot zijn aftreden. Het kabinet moest tenslotte berusten in overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië.
Intussen was te Slochteren het grootste aardgasvoorkomen ter wereld ontdekt. Het kabinet verliet de geleide loonpolitiek; gaf de ambtenaren een vrije zaterdag; en bracht onder meer de Algemene Bijstandswet tot stand.
Extra afbeeldingen
- Zoom
- kabinet De Quay
