Main Content

Verslag van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela Het pad is het doel: deel 7

  • 23 oktober 2009
  • Erik van den Berg
<p>De kathedraal in Santiago de Compostela</p>
Zoom

De kathedraal in Santiago de Compostela

Jaarlijks arriveren duizenden pelgrims bij de kathedraal in Compostela, waar het graf van de apostel Jakobus zou liggen. Vele honderden kilometers worden afgelegd, bij voorkeur te voet. Erik van den Berg, redacteur bij Geschiedenis 24, liep de pelgrimstocht naar Compostela en Finisterre. Het laatste deel van een historisch reisverslag in zeven stappen: de tocht voorbij het einde van de wereld.

'Ik ben naar Finisterre geweest. Je hebt daar een paar rotsen en de zee. Da's wel mooi. Maar ik voelde er niet zoveel bij. Er was niets bijzonders aan' vat Helmut zijn tocht naar het einde van de wereld samen. Op de vrije dag in Compostela zijn hij en de Ierse Isabel naar Finisterre gegaan - en terug. Met de bus. Ze hebben een vlucht te halen en geen tijd, maar ook geen zin meer om te wandelen.

Schoonheid

Wat?! Niets bijzonders aan? Finisterre is het Einde van de Wereld! Het is de plek waarvan de Kelten dachten dat de vaste grond ophield, voorgoed: Finis Terrae. Op de pek waar nu een vuurtoren staat, hielden de Kelten vruchtbaarheidsrituelen. Ze vereerden de zon, die hier ondergaat met een diepontroerende schoonheid. De Foenicische tempel Ara Solis zou ook op deze plek gestaan hebben. Om Finis Terrae heen lag de Mare Tenebrosum, de Zee van Duisternis, zoals de Romeinen hem noemden.

Na de ontdekking van de graftombe van Jakobus ontstond een stormloop naar het einde van de wereld. Christenen gingen de andere legendes achterna dat Jakobus in Finisterre of Muxía begraven lag. Zo vermengden christelijke en heidense gebruiken zich. Tijdens de Middeleeuwen werd Santo Cristo de Fisterra gezien als de Westerse voorstelling van Christus. Dit houten beeld werd volgens de overlevering van een schip gegooid en spoelde aan in Finisterre. Uit deze tijd stamt een bijzondere traditie. Bij de vuurtoren van Finisterre verbranden pelgrims hun kleren, een purificatieritueel aan het einde van de Camino.: fik in je intens stinkende shirt, uitgelopen schoenen, of nooitgedragen trui. Ook een bad in de oceaan hoort bij het ritueel.

Zoveel magie en geschiedenis op één plek, dat verdient een entree in stijl. Lopen is het tempo waar je lichaam voor ontworpen is, en ondertussen rustig al het moois in je opnemen. Helmut probeert mij nog over te halen om ook de bus te pakken: 'Het is zwaar terrein, met heel veel heuvels.' Prima, denk ik. Inspanning geeft ontspanning. De oceaan is doel en einde van mijn reis, dat heb ik vanaf het begin ingeprent, Compostela was slechts tussenstop.

Voor mij is het nog 120 kilometer te gaan. Stap voor stap via Negreira, Olveiroa en Finisterre naar Muxía. Finisterre is de finale, Muxía het naspel. Na ruim negenhonderd kilometer te hebben gelopen zal ik – heel geleidelijk – zee aan de horizon zien verrijzen. Geuren van wier, zout en vis waaien me tegemoet. Langzaam zal ik de eerste vissersdorpjes zien verschijnen en volg ik de kust tot de laatste rots op aarde. En op deze rots zal ik de zon in zee zien ondergaan. Als alles goed gaat.

Afscheid

Ben ik alleen? De pelgrims die ik ontmoet hebben het wel gehad met lopen nu ze in Compostela zijn. Uitgewoonde wandelschoenen verdwijnen in de backpack en de benen gaan in de slaapstand. Einde van de Wereld prima, maar niet te voet. Twee keer per dag rijdt een stampvolle bus naar Finisterre en terug. Het landschap zoeft voorbij en in een uur ben je er. Zappen naar zonsondergang.

Zo neem ik op 11 en 12 juni afscheid van mijn vrienden: Luciano - de Braziliaanse Borat - en zijn landgenoten Telma en Mozes; Helmut de Oostenrijkse tank; de Ierse dames Vanessa en Isabel; Belgische ex-RWDM goalie Dominique en Britse buddy en prof-gokker annex zuipschuit Will. Stuk voor stuk zijn ze blakend en gepolijst, met een gelukzalige blik in de ogen. De reis is afgerond en de Camino begint nu pas echt. Inkeer en contemplatie brachten kleine en Grote wijsheden. Het echte leven begint weer en kennis kan in praktijk gebracht worden.

Ramp

Met de stadspoort van Compostela laat ik het gewemel van toeristen achter me. Al na vijf minuten loop ik door gonzend eucalyptusbos. Hier geen vierbaanswandelsnelweg met bumperklevende pelgrims, maar zinderende stilte. Toerisme tierde welig tot aan Compostela, maar de spits is hier opgelost. De VVV-paaltjes met gele jakobsschelpen zijn vlekkeloos en tellen netjes af naar Finisterre, tot op de meter nauwkeurig. Barretjes zijn op een hand te tellen. Ondanks de grote leegte is het dringen aan de poorten van refugio's: dertig bedden is zelfs nu wat aan de lage kant.

De westelijke zijde van Galicië gaat door onder de naam Costa da Morte, de doodskust. Ontelbaar veel schepen zijn vergaan in de gevaarlijke wateren. Tanker de Prestige in 2002 veroorzaakte de ergste ramp: 70 duizend ton ruwe olie verdween in zee en vergiftigde het water. Tienduizenden zeevogels kwamen om en de effecten waren merkbaar tot in Portugal en Frankrijk. Voor Galicië, dat grotendeels afhankelijk is van de visserij, was het behalve een ecologische ook een economische ramp. De regio herstelt nog altijd, vooral door het toerisme meer te promoten.

Dat gaat moeizaam. Het stadje Negreira bijvoorbeeld is triest en in verval: een centraal plein waaruit tegels ontbreken, een paar hangende boompjes eromheen. Het is stil op straat, café's stomen en af en toe loopt een gebroken mannetje naar buiten. Werkloosheid heeft bloeddoorlopen ogen.

Het Einde van de Wereld

Ik wandel door. Van Negreira loop ik via het knusse dorpje Olveiroa naar het Einde van de Wereld. De paden zijn rustig. Het is zoals ik hoopte. De hemel boven het eindeloze groene heuvellandschap krijgt aan de horizon langzaam een andere tint blauw. Zou het? Een paar honderd meter verder ben ik zeker. Ik zie zee! Zelfs de vuurtoren van Finisterre is zichtbaar als minuscuul wit stipje. Gestaag wordt het uitzicht helder en nadert de kust. Het is een vreemde gewaarwording de zee van dichtbij te zien, en te voelen. Van de Pyreneeën tot aan de oceaan, ik heb het helemaal volbracht!

Mijn wandelgenoten - Belgische Hélène, het Franse meisje Kim en Mexicaan Gustavo - blijven hangen bij de voorlaatste herberg. Deze ligt op een kleine twaalf kilometer van Finisterre. Zonde. Ik ga toch geen miezerig tippeltje maken naar het Einde van de Wereld?! Ik loop door. De dag wordt een van de zwaarste van de Camino. Veertig kilometer onder een brandende zon en berg-op berg-af. Maar ik krijg loon naar werken. In de laatste baai voor Finisterre daal ik af naar een compleet verlaten strand. Ik gooi m'n spullen neer en glimlach naar de ruisende zee.

Finisterre is een charmant vissersstadje met witte huizen om een baai vol bootjes. Ik dump mijn spullen bij de refugio, ontvang een oorkonde voor mijn inspanningen en vertrek naar de vuurtoren. Deze staat op drie kilometer van de stad. Een weg slingert zich naar de laatste rots, een versteende vinger in het eindeloze blauw. Op het topje vind ik mijn eigen rots en ga zitten.

Weer lach ik. Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan! De zee is immens en oppermachtig. Diep onder me ramt het water met een intense kracht tegen de rotsen. Helaas geen plek om zomaar een bad te nemen. Ik hoor dat alleen het afgelopen jaar al enkele toeristen door de golven tegen de kliffen te pletter zijn geslagen.

De zon staat nog op acht uur, nu is het wachten op de ondergang. Ik ben niet alleen. Om me heen hebben tientallen pelgrims een eigen rots uitgezocht. Sommigen praten, de meesten staren als in trance naar de zee. Een enkeling heeft de fik al in zijn kleren gezet. Schoenen, sokken, shirts en truien – alles gaat in de hens. Ook mijn stinkshirt brandt - met groene vlammen! De zon gaat onder en ik heb er geen woorden voor. Ik ben een gelukkig man.

Thuis

'Ik ben naar Finisterre geweest. Je hebt daar rotsen en de zee. Dat is wel mooi.' Als geboren Groninger kan ik Helmut's grote droogte wel waarderen. Maar het is het verschil tussen de bus en te voet. Ik had het geluk en de tijd om te wandelen.

Er is een bonus. Mijn gids leidt mij met een rode lijn voorbij Finisterre, noordwaarts naar het stadje Muxía. Einde voorbij het Einde. Met alle luiheid die ik kan verzamelen loop ik langs de kust naar dit andere vissersstadje. Lang. Zaam. Niets hoeft meer. Onderweg is de zee mijn kameraad. Ik pauzeer op de kliffen, klim naar beneden en wandel over een hagelwit, verlaten strand. Golfen ruisen geruststellend.

Muxía is een lelijk stadje, maar dat is een dekmantel voor eeuwenoude mystiek en magie. Een gids met de naam Paco geeft Kim, Hélène en mij een rondleiding. Het kerkje Virxe da Barca is een wonderlijke plaats. Naar verluid verscheen de maagd Maria hier in een stenen schip voor Jakobus, toen hij tijdens zijn missie op het Iberische Schiereiland de moed verloren had. Het gebouwtje staat op de rotsen, vrijwel in zee. 'In de winter loopt het water zelfs een meter hoog de kerk binnen' zegt Paco. Hij wijst ons op de rotsen: ze zouden magische krachten bezitten en restanten van het fabelschip zijn. Aankleding in de kerk is christelijk, maar ook de zon en de maan worden er openlijk vereerd. Menhirs buiten Muxía herinneren aan de Keltische aanwezigheid. Paco: 'nog steeds zijn er druïden en heksen actief in het gebied.'

Morgen ga ik weer naar Nederland. Een Duitse hippie die ik hier tegenkwam zal me een lift geven naar Compostela, waar mijn trein terug vertrekt. Even word ik treurig bij deze gedachte, want wat heb ik het mooi gehad. En nu gaat de Camino werkelijk beginnen. Het echte leven. Wie te zijn, wat te doen? Stap voor stap, stap voor stap.

Er is nog iets wat ik zou willen. Muxía heeft een strand, veiliger dan de kliffen van Finisterre. Vlak voor de hippie vertrekt grijp ik mijn kans en neem een duik. Het water is koud, koud, koud! Terug op het droge weet ik dat het alleen hieraan nog ontbrak. Ik voel me wakker, klappertandend wakker, met een energie die elke cel in mijn lichaam doet dansen. En er is maar één plek waar ik nu ben en zou moeten zijn. Ik sluit mijn ogen en ben thuis.

Klik hier voor het vorige deel.