Main Content

Reiziger plaveide weg voor inname Tunesië De Britse wraak op Hannibal

  • 26 augustus 2010
<p>Carthago in 1880, in de Young Folks' History of Rome.</p>
Zoom

Carthago in 1880, in de Young Folks' History of Rome.

Britten die in de negentiende eeuw naar Noord-Afrika trokken vulden hun zakken niet alleen met cultuurbuit: “Ze maakten deel van een imperiaal systeem, gericht op het inwinnen van informatie, om het land voor te bereiden op kolonisatie.” Dat zei historica Ms. Imene Gannouni Khemiri op het internationale geschiedeniscongres in Amsterdam.

In een brief naar de Britse koningin verklaarde de negentiende eeuwse Britse ontdekkingsreiziger Nathan Davis: “Ik wil (…) de antiquiteiten die worden ontdekt overdragen aan de collecties van het British Museum.” Davis verzocht in de brief koninklijke toestemming om af te reizen naar Tunesië. Zijn verzoek werd zonder morren ingewilligd en Davis kon zijn opgravingsgerei bij elkaar rapen.

In de voetsporen van Hannibal stak Davis de Col du Mont Cenis over. “Mijn missie was om wraak te nemen op Hannibal's doel om Carthago te verrijken met Europese buit, mijn doel was om Europa te verrijken met de Carthaagse buit." Wie Davis' dagboek leest, ziet de historische betekenis - en mythische omvang - die hij toedicht aan zijn reis.

Eenmaal in Carthago beschouwt hij de restanten als bezit van de gehele mensheid, en niet van de “barbarous natives”. Britse reizigers zoals Davis waren vaak verbonden aan 'verzamelaarsclubs', zoals de Royal Geographical Society en The British Museum. Ze verzamelden, catalogiseerden en exporteerden cultuurbuit. Standbeelden en zelfs delen van gebouwen kwamen zo terecht in de museumcollectie. Belangrijk om te weten is dat ze hun hart hadden verpacht aan de wetenschap, niet bewust van de territoriale implicaties van hun werk.

Ze deden meer. Ms. Imene Gannouni Khemiri betoogde tijdens het Amsterdamse geschiedeniscongres dat Britten deel uitmaakten van een imperialistische economie van informatievergaring: niet alleen de archeologische vondsten werden door ze beschreven, ze beschreven in hun reisverslagen ook als ware etnografen de inheemse stammen. Taal, kleding en gebruiken werden grondig vastgelegd.

Gannouni Khemiri onderzocht de Tunesische situatie en maakte gebruik van schriftelijke bronnen van de reizigers, zoals dagboeken en briefwisselingen. Volgens de historica was de verzameldrift deel van een groter plan. “Alles wijst erop dat aanwezigheid van de reizigers bedoeld was om het gebied alvast voor te bereiden op kolonisatie. Hun reizen kwamen voort uit de wens om controle te krijgen over 'vreemde landen'”, stelt Gannouni Khemiri. Er was gedurende de negentiende eeuw een grootschalig landjepik in voorbereiding. Tijdens de Conferentie van Berlijn in 1885 werd Afrika verdeeld. De Fransen hadden Tunesië in 1881 al ingenomen. Het land zou nu officieel onder Frans regime komen te vallen.

Britse reizigers waren – vaak zonder het te weten – deel van de nationale expansiedrift. De opgravingen, het in kaart brengen van de cultuurschatten en de aanwezige bevolking, aan het begin van de negentiende eeuw: alles was bedoeld om informatie in te winnen. Zo ontstond een gevoel van materiële en morelemacht over de inheemse bevolking, en werd de weg geplaveid voor uiteindelijke kolonisatie.

Erik R. van den Berg