Hoe Sinaida Pawlenko en Harm Greevink elkaar tijdens de oorlog in Berlijn ontmoetten Een Oekraïens-Twentse liefde (deel 5)

- Zoom
- Onbekende kampgenoten (foto: familiearchief)
De liefde en de dood gaan in tijden van oorlog vaak hand in hand. Soms overwint de liefde. De Oekraïense Sinaida Fedorowna Pawlenko en de Drentse Twent Harm Greevink ontmoetten elkaar in mei 1942 in een Berlijnse munitiefabriek. Na de oorlog trouwden ze en vestigden zich in Almelo. Na de dood van Sinaida vond dochter Marian een dagboek van haar moeder. Dit zeer bijzondere dagboek heeft ze voor internet bewerkt en zal de komende weken op deze website in afleveringen worden gepubliceerd.
bewerking en commentaar: Marian Kruijt-Greevink
Deel 1: Jeugd in de Oekraïne (1921 - 1937)
Deel 2: Werk en opleiding (1937 - 1940)
Deel 3: Oorlog in de Oekraïne (1941 - 1942)
Deel 4: Dwangarbeid in Berlijn(1942 - 1943)
Deel 6: Bevrijding en huwelijk (1945 - heden)
Deel 5: Sinaida en Harm (Berlijn, 1944)
Naarmate de tijd verstreek werden wij steeds vrijer en brutaler. We legden contacten met Duitse vrouwen buiten het kamp. Enkelen van hen hielpen ons met voedsel of kleding. Als we straf hadden gekregen en we konden niet weg van het kamp, dan groeven we onder de prikkeldraadhekken een gat waar we net onderdoor konden kruipen. Het was gevaarlijk en we moesten wel oppassen dat we niet werden gesnapt. Zo konden we eens naar een familiefestival gaan en terugkomen.
Appels pikken
In de zomer van 1944 vroegen drie meisjes meof ik zin had om mee te gaan naar een plantage met fruitbomen om appels te plukken. Die waren natuurlijk niet voor ons bestemd maar voor de Duitse soldaten. We gingen met de trein. De boomgaard was een heel groot terrein en er was in de verste verte niemand te zien. Twee van ons klommen in een boom en begonnen de appels eruit te schudden en twee gingen de appels oprapen en stopten ze in een meegebrachte kussensloop. We waren net klaar en weer op weg naar het station toen we in de verte een bewaker te paard zagen die op de boomgaard moest passen. De trein was gelukkig op tijd en we gingen gauw naar binnen. De Duitse passagiers zaten achterdochtig naar onze bagage te kijken, maar niemand van hen sloeg alarm. We kwamen dus veilig aan in het kamp in Strausberg, maar nu moesten we nog zien binnen te komen zonder dat iemand ons en onze buit zag. We slopen voorzichtig achterom en gooiden de zakken over de prikkeldraadversperring. Toen gingen we als onschuldige vriendinnen naar de voorkant en liepen langs de kampbewaking. De twaalf meisjes van onze kamer hebben gesmuld van het fruit, het was zalig! We hadden in drie jaar geen fruit, snoep, ijsjes, eieren of koekjes gezien en dan is een appel een geschenk uit de hemel.
Aardappelen rooien
Soms kwam er een boer die aan de kampleiding vroeg of er arbeiders waren die bij hem een stuk land wilden omspitten. Als loon kregen die arbeiders dan vaak een maaltijd. We hadden inmiddels al de derde Lagerführer in het kamp en hij was aan het front gewond geraakt aan zijn hand. Misschien was hij door zijn verwonding milder geworden, want hij was tegen ons altijd vriendelijk en toegevend. Wie op een keer bereid was om aardappelen te rooien kreeg als beloning een halve zak aardappelen. Natuurlijk waren daarvoor heel veel vrijwilligers, ik ook. Aan het eind van de dag, toen we naar het kamp teruggingen, werden we opgeschreven en we kregen onze halve zak aardappelen mee. Maar er was één kampbewoner die wilde meer aardappels voor zijn werk. Hij liet zich niet opschrijven maar ging weg met zijn zak aardappelen en kwam later een paar keer terug om een nieuwe zak aardappelen op te halen. Dat ging eerst wel goed. Maar na een paar dagen kwam de boer klagen dat er te veel aardappelen waren verdwenen. De Lagerführer besloot dit in het kamp te controleren met de namenlijst van de arbeiders, maar hij vond niet meer aardappels dan was toegestaan. Hij snapte er helemaal niets van: hij controleerde voortdurend de barakken en kon geen aardappelen vinden en toch zaten de afvalbakken vol met aardappelschillen. Hij had echt niet goed gezocht want de extra voorraad aardappels hadden we verstopt in de mouwen en jaszakken van onze kleding en achter de kasten.
Op de toiletpot staan
De Duitsers waren geestelijk besmet, maar lichamelijk hygiënisch en schoon. De eerste Lagerführer van ons kamp vond dat de kampbewoners de hygiënemaatregelen aan hun laars lapten. Daar wilden ze wat aan doen. Om twee uur ’s nachts hoorden we een fluitje en we moesten direct, in pyjama en slaperig in de gang verschijnen. Lager-führer T. schreeuwde naar Vera: “Jullie bevinden je in een schoon, cultureel land, jullie krijgen eten, je moet iedere week douchen, maar jullie maken een rotzooi van alles. Als je je behoefte doet dan staan jullie met de benen op de toiletpot en dat doen we hier niet zo. Eén van jullie heeft een stukje papier in de toiletruimte laten vallen en niet opgeruimd. Jullie gaan nu allemaal een voor een kijken en ik wil weten wie die rommel daar heeft achtergelaten!” En inderdaad, daar lag een stukje papier dat iemand had weggegooid. Misschien had er brood in gezeten dat in het toilet was opgegeten. We gingen na elkaar kijken en kwamen terug in de gang. Toen schreeuwde de Lagerführer: “En nu wil ik weten wie dat heeft gedaan”. Het bleef muisstil. En zo hebben we als straf een half uur moeten staan wachten. Maar niemand heeft iets verraden.
Gillen
Op een andere nacht was de Lagerführer aan het kaarten met de directeur van de fabriek Een bewaker loopt langs de barakken en hoort een man roepen: “Kom hier!” De bewaker vertrouwde het niet en hij ging dat melden bij de Lagerführer. Die pakt onmiddellijk zijn fluit om appèl te houden. De meisjes die nog niet in bed lagen kwamen als eersten in de gang. De Lagerführer begon als een bezetene vuistslagen uit te delen en schreeuwde wie die mannen binnen had gelaten. Alle meisjes bleven stil en drukten zich angstig links en rechts tegen de muren. En toen, alsof het was afgesproken, begonnen we allemaal te gillen. Naast onze barak was de barak met Nederlandse mannen, uiteraard met een hoge schutting ertussen. De jongens schrokken zo van ons gegil dat ze met behulp van elkaar over de schutting zijn gesprongen om ons te helpen. Lagerführer T. zag dat allerlei mannen over de omheining sprongen en is er als een haas vandoor gegaan.
Wandluizen
De barakken waarin we moesten wonen waren gebouwd van vers Zweeds hout en ze zaten vol wandluizen. Wandluizen vermenigvuldigen zich heel snel, dus ze zaten in de bedden, stoelen, en de tafels. Je kon niet lang op een stoel zitten, want alles ging kriebelen. Als het zomers warm was dan kon je niet op je stromatras liggen en dan trokken we de matrassen naar buiten en lagen zo in een rij buiten te slapen. Wat hebben de jongens een lol gehad, ze konden zich niet voorstellen om zo te moeten leven. Wandluizen ruiken mensen op kilometers afstand en de kampleiding vroeg zich af wat ze hieraan moesten doen. Het was een ware plaag. Ze bedachten dat ze zwavel zouden aansteken in een blikken trommel en dat zou de wandluizen wel verjagen. Ze deden dat overdag terwijl wij allen aan het werk waren.
Brand
Ik was ook in de fabriek toen ik hoorde dat het kamp in brand stond. Wij renden allemaal terug naar het kamp, maar de houten barakken brandden als een fakkel en na korte tijd was er alleen as over. Tranen, geschreeuw, maar we stonden met lege handen en hadden helemaal niets meer. Ik kreeg het erg te kwaad en ze hebben mij naar het ziekenhuis gebracht. Ik heb hysterisch gehuild en gegild aan een stuk door. Toen hebben ze mij een injectie gegeven waardoor ik kalmeerde en ben teruggegaan naar het kamp. In mijn koffertje zaten al mijn kleren en drie paar goede schoenen. Omdat alles zo strak in het koffertje was gepropt, zijn alleen de kanten verbrand en in het midden waren nog onverbrande stukken stof van de jurken overgebleven. Van mijn schoenen waren de hakken verbrand. De Lagerführer had weinig mededogen en schimpte om ons verdriet. Hij zei dat we toch alles hadden gestolen wat we bezaten, dus daarom hoefden we niet te huilen...
Ik heb alle overgebleven stukken uit het koffertje gehaald en gewassen en van de stukken stof heb ik toen een nieuwe jurk gemaakt. Van de kampleiding kregen we allemaal een grof nachthemd en houten klompen (patinen). Van een Duitse vrouw kreeg ik een lapje tafzijde en daarvan heb ik onderbroekjes gemaakt met knopen aan de zijkant. De stof was stug en elastiek hadden we niet. Zo, met blote voeten in de houten patinen gingen we de winter tegemoet.
Briketten
Het was weer een koude winter, er lag overal sneeuw en we kregen maar vier briketten per dag om de barak warm te stoken. Briketten zijn langwerpige blokken van geperste turfmolm en kolenstof. Vier briketten was veel te weinig en we hadden het verschrikkelijk koud. We moesten iets verzinnen om bij de briketten te komen die in de opslag lagen. De bewakers bij de uitgang hadden wel door dat we probeerden om de briketten te stelen, dus ze gingen ons controleren als we in en uit het kamp liepen en ze hadden veel plezier daarbij. Maar we bedachten wel weer iets en gingen zakken naaien met een lang handvat zodat de zak, met briketten gevuld, onder onze jas in de knieholte kon hangen. Daarna verschoven we de zak naar de zijkant, uit het zicht van de bewakers, en daarna naar de voorkant zodat ze niets konden zien als we voorbij liepen. Zo konden we toch nog af en toe onze barak warm stoken.
Soms gingen enkele meisjes wandelen langs de vliegbasis van Strausberg waar kokos lag. Als er niemand keek dan namen ze daar wat van mee voor in de kachel. Dat was de enige manier om warm te worden en als de kachel in de barak heet was dan plakten we hem vol met plakjes aardappel en als ze dan gaar waren smulden we van gebakken aardappelen zonder vet, maar wel met een beetje zout. Zout gebruikten we ook om onze tanden te poetsen en drie jaar lang hebben we onze haren gewassen met poedersoda. Het eten was bijna altijd slecht en de dunne soep die we kregen was vaak gemaakt van koolraap en stukken aardappel waar nog stukken klei aan zaten. Dat was ook het geval met zuurkoolsoep. Maar honger maakt niet kieskeurig.
Half ei
Soms kregen we vis te eten. De mannen, Hollanders, Polen, Fransen, Tsjechen en Belgen kregen één vis per persoon, de Russinnen een halve. Als de mannen één ei kregen, dan kregen de vrouwen een half ei. En verder kregen we maar één brood per week. Wat is één brood voor een hele week en verder niets erbij? Geen kaas, geen vlees, niets...
Er was in het mannenkamp een Tsjech, heel groot en fors, en hij at wel 2 broden in één keer. Maar omdat hij van een rijke familie was, een baron of zoiets, kreeg hij soms pakketten in kisten van 1,5 x 0,6 meter van zijn familie. Niemand kon geloven dat hij zoveel at, terwijl de anderen zo’n honger hadden. Hij vertelde dat ze thuis ook hondenvlees aten en dat dat erg lekker was. Maar of dat echt waar was weet ik niet…
Toen Lagerführer T. weer eens een keer controle hield of wij wel schoon en hygiënisch waren, kwam hij kijken hoe wij onder de paardendeken sliepen. Stadsmeisjes kleedden zich altijd uit als ze gaan slapen, maar boerenmeisjes schaamden zich om kleren uit te trekken en zij gingen in bed liggen met dikke rokken en vesten aan. Als T. dat bemerkte, dan liet hij een emmer koud water brengen en dat gooide hij zomaar over de slapende meisjes heen. Hij wilde ons leren om schoon en rein te zijn, net zoals de Duitsers zelf, een Arische natie! Een kampgenoot, een meisje van ca. 25 jaar, studente net als ik, kon dit leven niet meer aan en zij heeft zich met haar eigen riem in het toilet opgehangen. Ik was ook helemaal in mijzelf gekeerd en depressief in die periode. Ik zag geen mensen om mij heen en gedroeg me als een levende mummie. Mijn beste vriendin heeft mij toen door elkaar geschud en gezegd: “Sina, weet je wel dat je al drie weken geen woord tegen iemand hebt gesproken?” Ik moest me aankleden en wij zijn naar de stad gegaan en zo heeft zij mij uit de depressie gehaald.
Harm
Een paar weken daarna heb ik vriendschap met Harm gesloten. Ik heb zijn kleren gewassen en gerepareerd, dat deden wij allemaal voor jongens die alleen waren. Alleen de Poolse meisjes niet, zij vonden dat vernederend. Zij waren panjanka’s, vrouwen van een hogere stand.
En toen werd het oudejaarsavond 1944. Ik wilde Harm een nieuwjaarskaart sturen en ook de andere meisjes wilden dat doen, want er waren een heleboel vriendschappen ontstaan. We bedachten toen dat één van ons voor postbode zou spelen. Maria had een postbodetas, Halja een geschikte jas, een derde heeft een broek en een vierde een hoed. En ik heb me als postbode aangeboden. Ik heb de broek en laarzen aangetrokken, een colbertjasje erbij en de postbodetas. Toen heb ik een masker voor mijn ogen gemaakt en verder mijn gezicht geschminkt. Alle meisjes hadden zich mooi opgemaakt, we hadden ’s middags maltbier gekocht en we hadden een paar dagen geleden van ons rantsoen brood, boter en smeerkaas bewaard voor deze oudejaarsavond. Maar we hadden nog het probleem hoe ik naar de mannenbarak moest komen. Via de bewaking in het wachthuis was onmogelijk. Wel hadden we op dat moment de derde Lagerführer, degene die aan zijn hand gewond was geraakt en hij was geen bullebak. De meisjes gingen me toen helpen. We gooiden een deken over de prikkeldraadversperring en met behulp van een stoel klom ik over de omheining. Dat ging vrij gemakkelijk. De eerste kamer van de barak was van enkele Hagenaars. Ik gaf hun de post en zij zaten me met verbaasde ogen aan te kijken alsof ik een spookverschijning was. Enkele jongens hadden mij wel herkend, maar ik had geen tijd en ging verder naar de donkere hal.
En toen… kwam daar de Lagerführer aan! “Hé, hoe kom jij hier en wie ben jij?” riep hij. Ik zei: “Herr Lagerführer, neem u mij niet kwalijk, maar dit is de laatste dag van 1944 en volgend jaar is de oorlog misschien wel afgelopen. Ik heb hier nieuwjaarskaarten, ook voor u, maar het is hier zo donker. Wilt u me alstublieft helpen door de kamernummers te belichten, dan gaat het rondbrengen sneller”. Nou, dat wilde hij wel. Maar toen sloeg de hele barak op hol, want de Lagerführer heeft Sina meegenomen!
Bij de kamer van de Fransen stond alles op de kop. René zei: “Hé dat is mijn broek!” Raymond: Dat is mijn hoed en jas!” De hele massa mannen ging achter ons aan. Bij de kamer van de Tsjechen kwamen ze met een kan bier van zes liter en glazen en ze boden mij wat aan, maar ik weigerde en zei dat ze beter mijn begeleider een glas bier konden aanbieden. En dat heeft hij geaccepteerd! Hier moest ik de laatste nieuwjaarskaarten afgeven en wij gingen naar buiten. “En nu vertel je mij je naam, in welke barak en kamer je hoort” zei de Lagerführer toen. “Ach Lagerführer, gaat u met me mee, dan ziet u zelf welke barak en kamernummer van mij is en dan vertel ik u ook mijn naam” antwoordde ik. De meisjes van onze barak stonden te stralen want ze hadden gezien dat het plan was gelukt en dat we eraan kwamen. Toen ik de deur open deed zeiden ze met één stem: “Lagerführer, wat leuk u te zien op dit moment! We wensen u gelukkig Nieuwjaar en neemt u alstublieft een glas mals bier”. De Lagerführer was door al die jonge, knappe, verzorgde stadsgrietjes helemaal de kluts kwijt. Dan kon je dat glas bier toch niet weigeren? Hij dronk zijn bier op, wenste ons het beste en is weggegaan zonder mijn naam te weten te komen. Alle jongens uit de barak waren erg bang dat ik fikse straf zou krijgen, maar gelukkig had dit uitstapje voor mij geen akelige gevolgen.
Extra afbeeldingen
- Zoom
- Harm in het kamp Berlijn, ca. 1942 (foto: familiearchief)
Harm in het kamp Berlijn, ca. 1942 (foto: familiearchief)
- Zoom
- Sinaida en Harm in Berlijn, ca. 1942 (foto: familiearchief)
Sinaida en Harm in Berlijn, 1944 (foto: familiearchief)
- Zoom
- Sinaida met onbekende in de Berlijnse sneeuw (foto: familiearchief)
- Sinaida met onbekende in de Berlijnse sneeuw (foto: familiearchief)
- Zoom
- Harm met onbekende (foto: familiearchief)
- Harm met onbekende (foto: familiearchief)
- Zoom
- Sinaida met onbekende (foto: familiearchief)
- Sinaida met onbekende (foto: familiearchief)
- Zoom
- Mannenbarak in Berlijn (foto: familiearchief)
- Mannenbarak in Berlijn (foto: familiearchief)
- Zoom
- Onbekende kampgenoten (foto: familiearchief)
- Onbekende kampgenoten (foto: familiearchief)
- Zoom
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Zoom
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Zoom
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Zoom
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Zoom
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Onbekende kampgenote (foto: familiearchief)
- Zoom
- Oorlogspaspoort Harm Greevink
- Oorlogspaspoort Harm Greevink
- Zoom
- Oorlogspaspoort Harm Greevink
- Oorlogspaspoort Harm Greevink
- Zoom
- Ausweis Harm Märkisches Walzwerk
- Ausweis Harm Märkisches Walzwerk
- Zoom
- Ausweis Harm Märkisches Walzwerk
- Ausweis Harm Märkisches Walzwerk