Main Content

Hoe Sinaida Pawlenko en Harm Greevink elkaar tijdens de oorlog in Berlijn ontmoetten Een Oekraïens-Twentse liefde (deel 6 - slot)

  • 17 augustus 2010
Trouwfoto van Sinaida en Harm - de bruidsjurk was gemaakt van parachutestof, een soort nylon. (foto: familiearchief)
Zoom
Trouwfoto van Sinaida en Harm - de bruidsjurk was gemaakt van parachutestof, een soort nylon. (foto: familiearchief)

De liefde en de dood gaan in tijden van oorlog vaak hand in hand. Soms overwint de liefde. De Oekraïense Sinaida Fedorowna Pawlenko en de Drentse Twent Harm Greevink ontmoetten elkaar in mei 1942 in een Berlijnse munitiefabriek. Na de oorlog trouwden ze en vestigden zich in Almelo. Na de dood van Sinaida vond dochter Marian een dagboek van haar moeder. Dit zeer bijzondere dagboek heeft ze voor internet bewerkt en zal de komende weken op deze website in afleveringen worden gepubliceerd.

bewerking en commentaar: Marian Kruijt-Greevink

Deel 1: Jeugd in de Oekraïne (1921 - 1937)

Deel 2: Werk en opleiding (1937 - 1940)

Deel 3: Oorlog in de Oekraïne (1941 - 1942)

Deel 4: Dwangarbeid in Berlijn (1942 - 1943)

Deel 5: Sinaida en Harm (Berlijn, 1944)

Deel 6: Bevrijding en huwelijk (1945 - heden)

In maart en april 1945 is het duidelijk dat de Duitsers de oorlog niet zullen winnen. Mijn vader vertelde dat hij vanuit het kamp de bombardementen op Berlijn kon zien. “Het was een fantastisch gezicht, al die overvliegende vliegtuigen en het gedonder in de verte”. Bij zo’n bombardement stonden alle mannen buiten om te kijken. Het waren nog maar jongens van 18 of jonge mannen en die vonden dat best interessant. Het gevaar dat ze eventueel geraakt zouden kunnen worden kwam bij hun niet op. “Maar de Duitsers waren als de dood zo bang” vertelde vader. “Ze schreeuwden dat we de bunker in moesten, maar daar hadden we helemaal geen zin in”.

uit het dagboek van Sinaida:

“Vanaf dat moment werden de poorten van alle werkkampen in de omgeving opengezet. Alle kampbewoners en de burgers van Strausberg moesten vluchten, want de geallieerden bombardeerden inmiddels Berlijn en omgeving. Maar ondanks dat de geallieerden en het Russische leger in aantocht waren, konden wij niet weg omdat ze ons onze paspoorten niet terug hadden gegeven. Toen we uiteindelijk onze papieren hadden gekregen vertrokken we lopend naar Berlijn. Ons groepje bestond uit Harm, Koos, Henk J., Tonja, naamgenoot Sina en ik. We hebben over die 40 kilometer ongeveer vier dagen gedaan en kwamen ’s nachts in het pikkedonker aan in Berlijn. We konden niets zien vanwege de verduistering en de hevige bombardementen. Soldaten schreeuwden dat we de bunkers in moesten gaan, maar we weigerden want het stonk er vreselijk naar rottend vlees. Er was ons ook verteld dat het niet zo veilig was in die bunkers. Onlangs was een Duitse bunker gebombardeerd door de geallieerden en daarbij was de waterleiding gesprongen en toen zijn alle Duitsers verdronken.

walnoten

’s Nachts als de geallieerde troepen Berlijn bombardeerden leek het wel of de hel was losgebroken. Russische vliegtuigen gooiden Mig-bommen op de stad en die leken net kleine walnoten. Ik lag die nacht in een greppel achter een boerenkar en toen het tegen de ochtend licht werd waren we allemaal verspreid. Maar we vonden elkaar terug en gingen achter de Duitsers aan want voor hen stond er een vluchttrein klaar. De trein vertrok richting het westen en was mudvol. Luizen kropen van de ene persoon naar de andere. De trein vertrok weliswaar, maar kort daarna kwam hij weer tot stilstand omdat op de grote snelweg zware Russische tanks kwamen aandenderen.

ondergoed

De Duitse soldaten kregen het benauwd door de nabijheid van de Russen, ze trokken hun uniform uit en zijn er in hun ondergoed door de velden vandoor gegaan. Wij zijn in de trein gebleven die werd omsingeld door Russische soldaten met geweren. Ze wilden van ons alleen horloges hebben. De eerste soldaat kreeg zijn zakken vol met klokjes en de laatste soldaat weinig of helemaal niets. Wij, de Russische meisjes, hebben allemaal angstig onze mond gehouden want we zaten in een Duitse vluchttrein. Omdat de trein niet direct verder kon rijden zijn we maar lopend op pad gegaan, richting noordwesten. Bij een verlaten boerderij, de mensen zelf waren gevlucht, hebben Henk en een Franse krijgsgevangene een varken geslacht. Die hebben we gekookt en gebakken. Maar na bijna drie jaar hongerlijden en de plotselinge overdaad van veel vette soep en vlees zijn Harm en Koos ziek geworden. Onderweg kwamen we een Russische officier tegen en hij adviseerde ons om ergens vandaan een paard en wagen mee te nemen. De meeste Duitsers waren inmiddels het gebied toch ontvlucht. Hij gaf ons ook tabletten voor onze overbelaste ingewanden en toen de mannen wat waren opgeknapt zijn we met paard en wagen verder getrokken.

suiker

In de buurt van Schwerin mochten we niet verder. Het Amerikaanse leger had de stad in bezit genomen en hield alle vluchtelingen tegen. We hebben paard en wagen geruild voor een brood en een kilo suiker bij een Duitse vrouw die Duitsland wilde ontvluchten, en zo gingen we verder. In de buurt van Rheine, bij een bruggetje, stonden twee vrouwelijke Russische commissarissen, maar wij hielden weer onze mond en zijn als Nederlanders verder gegaan. Toen was het afgelopen om alleen verder te trekken want de Amerikaanse soldaten stuurden alle vluchtelingen naar verzamelkampen. Iemand vroeg aan een Amerikaanse negersoldaat of hij misschien een stukje zeep had, want hij wilde zich zo graag wassen. De soldaat werd woedend omdat hij dacht dat hij dat hem werd gezegd om zijn eigen gezicht te wassen.

In het verzamelkamp was een Nederlandse commandant die ervoor zorgde dat de Nederlandse mannen naar Nederland konden reizen, maar wij mochten niet mee. Onze mannen moesten aan de burgemeester van hun woonplaats toestemming vragen om te trouwen en met die papieren op zak konden ze ons komen ophalen. Wij hebben naar een slaapplaats gezocht bij de Duitse bevolking, maar niemand wilde ons helpen, behalve een vrouw met een invalide dochter. We mochten daar een weekje blijven als wij zouden zorgen voor brandstof om te kunnen koken. Dus vier meiden gingen op pad naar bunkers om daar houten boomstammen los te trekken.

verraders

Na een week werden wij toch naar het verzamelkamp gebracht. We sliepen in een kale kamer met strozakken op de vloer, maar toch was dat beter dan op de kale grond te moeten slapen in lege schoollokalen. Wij hadden in elk geval een dak boven ons hoofd. Tot onze schrik ontdekten we al gauw dat de kamer naast ons was bezet door een Russische officier met een paar Russische meisjes. Het was hun werk om achtergebleven Russen op te sporen en bijeen te brengen voor transport naar Rusland. Wij gingen naar de Nederlandse commandant die ons had geholpen en vertelden hem dat de Russische officier In de kamer naast ons wilde dat wij ons de volgende dag vrijwillig bij hem zouden melden, anders zou hij ons laten ophalen en dan zouden wij worden beschouwd als verraders van het Russische volk. Deze Nederlandse commandant heeft een hele tijd met de Russische officier gesproken en toen mochten wij blijven om te wachten tot onze mannen ons zouden komen ophalen. Maar als onze mannen niet zouden terugkomen, dan kon hij niets meer voor ons doen en dan moesten we ons melden bij de Russische officier. Die was woest en bedreigde ons op allerlei manieren.

grens

Gelukkig was er de volgende dag transport richting Enschede en wij mochten met een kleine vrachtwagen meerijden. We kwamen bij een school aan de grens en daar moesten we blijven wachten op de mannen. Uiteindelijk kwamen Harm, Henk en zijn broer eind juni op de fiets om ons op te halen. Harm had papieren van de gemeente bij zich, maar toch wilden ze ons niet laten gaan. Toen vroeg hij aan de autoriteiten of hij zijn kleren mocht meenemen om te wassen. Dat mocht en hij verstopte zijn kleren ergens. Toen vroeg hij of hij een eindje mocht wandelen. Toen dat ook werd toegestaan zijn we stiekem op de fiets gestapt, hebben zijn spullen gepakt en zijn weggefietst, ik achterop, richting Almelo. In Almelo moesten we of trouwen, of ik moest terug naar Rusland, want in Nederland was ook een militaire Russische vertegenwoordiging. En zo kwam ik in Nederland terecht.

(Commentaar van dochter Marian Kruijt-Greevink)

In 2009 heeft mijn broer Thon een bunker bezocht en bij thuiskomst vertelde onze moeder dat zij inderdaad in een dergelijke bunker op haar koffertje heeft gezeten. Op dat moment kreeg dat bezoek aan die bunker een heel andere betekenis voor hem dan alleen een oorlogsmonument. Onze ouders hadden dus toch geschuild in een bunker met houten banken, een ziekenboeg, een sanitaire ruimte, alles heel primitief en dan ook nog volgepakt met angstige mensen. Bij hun tocht door het Berlijn zagen ze alleen vernielde gebouwen, straten vol puin en dode mensen. Straten als Unter den Linden en de Potzdammerplatz lagen helemaal vol en er was slechts een doorgang van twee meter breed. Ze wilden iemand vragen of ze de goede kant opliepen en zagen een vrouw op een berg puin zitten. Maar toen ze haar benaderden bleek ze dood te zijn. Een kogelgat in haar voorhoofd.

De documenten linksin de kantlijn geven aan dat mijn vader op 5 juni 1945 officieel heeft laten weten aan de gemeente Glanerbrug (bij Enschede) dat hij in het huwelijk wilde treden met mijn moeder. Vanaf dat moment heeft mijn moeder angstig zitten afwachten of hij wel terug zou komen met de benodigde papieren. De gemeente Almelo heeft op 27 juni 1945 het document aan mijn vader meegegeven en hij is onmiddellijk teruggereden naar Duitsland om mijn moeder op te halen. De documenten op de volgende pagina geven dat aan want die zijn gedateerd op 28 juni 1945. Hij heeft zich duidelijk gehaast. Mijn ouders zijn getrouwd op 21 juli 1945, drie weken nadat ze in Nederland zijn aangekomen.

EPILOOG

Het leven in Nederland na de Tweede Wereldoorlog was een moeilijke tijd. Na de euforie van de herwonnen vrijheid moest het sociale en economische leven helemaal opnieuw worden opgestart. Mensen waren beurtelings opgelucht, ontredderd, verdrietig, vrolijk, woedend en blij. En er was weinig te koop, veel dingen waren alleen op de bon verkrijgbaar, er waren te weinig goede woningen en te veel mensen die daar behoefte aan hadden.
Zoals uit het levensverhaal van mijn ouders duidelijk wordt is deze generatie jonge mensen een belangrijk deel van hun leven afgepakt, vertrouwen in de mensheid en de toekomst geschokt, vaak bij het traumatische af. Nog jarenlang hadden mijn ouders last van achtervolgingsdromen door soldaten. Hulp bij de opbouw van een nieuw bestaan, vooral voor buitenlanders als mijn moeder, was heel erg moeilijk. Er was weinig begrip voor hun problemen en ze werden vaak met achterdocht bekeken, in het geval van mijn moeder vooral omdat men dacht dat ze een Duitse was…

Ze sprak de taal nauwelijks, maar mogelijkheden om die te leren waren er niet en zo leerde ze Nederlands met vallen en opstaan. Als wij kinderen van school kwamen, dan oefenden we met zijn allen Nederlandse dictees. En natuurlijk hadden wij dan grote pret om de fouten die onze moeder maakte. Gelukkig kon ze daar zelf ook hartelijk om lachen.

Mijn ouders woonden na hun huwelijk bij mijn grootouders in huis en daar is in 1946 hun eerste kind geboren (mijn broer Thon). Maar acht maanden later kwam een andere schoondochter bij mijn grootouders inwonen, een Nederlandse, en mijn grootouders begrepen haar beter. Ze vonden zo’n buitenlandse vrouw maar vreemd en konden niet goed aan haar en haar gebroken Nederlands wennen. Mijn ouders hebben toen een tijdje ingewoond bij een zuster van mijn vader en later kregen ze een voorhuis aangeboden bij een gezin dat zelf het achterste deel van het huis bewoonde. Ze hadden daar een woonkamer en twee slaapkamers, geen keuken, geen badkamer, geen toilet. Er was één w.c. in dat huis en dat werd door beide families gebruikt, een zeer onhandige, oncomfortabele en onhygiënische situatie! En bijna onvoorstelbaar, maar zo ging het in de eerste naoorlogse jaren. In 1948 ben ik daar geboren en ik heb nog vage herinneringen aan die woning.

Pas in 1954 kregen mijn ouders een eengezinswoning aangeboden en mijn moeder was oneindig gelukkig dat ze eindelijk met haar gezin in haar eigen huis mocht wonen! Geen vreemde mensen om haar heen, haar eigen huishoudelijke bedoening.

Zingen

Het is vrij algemeen bekend dat Russen graag en vaak zingen. Als ze op bezoek zijn bij elkaar dan wordt er naast gepraat ook heel veel gezongen. Mijn moeder zong heel erg graag en ze kon het ook heel aardig. In de jaren '50 is ze zelfs eens te horen geweest op Radio Luxemburg, een populaire radiozender in die tijd. Ze zong bekende Oekraïense en Russische liederen thuis, maar ook op concerten van het mannenkoor waarvan mijn vader jarenlang lid is geweest. Ze schreef zelf liedteksten (die wij helaas niet kunnen lezen) en behalve haar dagboek met herinneringen heeft zij ons een aantal zelf opgenomen audiobandjes nagelaten met door haar gezongen liederen. Die heb ik nog niet beluisterd en dat heeft meer een emotionele dan een praktische reden.

In de latere jaren van hun leven werden mijn ouders lid van een operettevereniging en ook daar werd er naar hartenlust gezongen, vooral als het Russische element ingepast kon worden. Een aardige herinnering is dat Russische vriendinnen van mijn moeder, als ze bij ons thuis op bezoek kwamen, altijd samen liederen gingen zingen. Gelachen werd er ook veel, Russinnen zijn zeer emotioneel, van het ene uiterste in het andere. Tot tranen toe heb ik gelachen tijdens een kaartspel waar door elkaar Russisch/Nederlands werd gesproken, overschakelend van de ene in de andere taal als één woord gemakkelijker op de lippen lag dan een ander. Als er een stilte viel begon altijd wel een van hen te neuriën en dan begonnen ze allemaal te zingen. Als een weemoedige LP voorhanden was dan werd er gezongen én gehuild. Tranen, tranen, tranen. Van vreugde en van verdriet. Want ze hadden bijna allemaal last van heimwee naar hun verloren vaderland.

Terug naar Oekraïne

In 1975 ging mijn moeder voor het eerst na de oorlog terug naar Oekraïne. Ze had haar familie 32 jaar niet gezien en helaas mocht mijn vader niet mee omdat hij werkte bij een semimilitair bedrijf en de verhoudingen tussen Oost en West waren in Europa nog steeds getroebleerd. Mijn moeder moest voor die reis eerst een bezoek brengen aan de Russische ambassade om een Russische pas aan te vragen en dat maakte haar erg angstig. Ze begreep niet waarom ze niet op haar Nederlandse pas naar Rusland mocht reizen. Maar ze kreeg haar pas en een visum en ze vertrok met een reisgezelschap, dat een aantal grote steden in de Sovjet-Unie bezocht zoals Kiev, Charkov, Moskou en St. Petersburg, toen nog Leningrad.

Mijn moeder was zo verschrikkelijk nerveus voor die reis dat ze, toen het vliegtuig landde in Moskou, een zenuwinzinking kreeg en ze werd naar een ziekenzaal op de luchthaven gebracht om een beetje bij te komen. Het reisgezelschap kreeg de reden van het oponthoud te horen en de deelnemers hebben op haar gewacht totdat ze weer zover was opgeknapt dat ze gezamenlijk de trip konden vervolgen. Omdat iedereen vanaf dat moment wist dat mijn moeder vloeiend Russisch sprak, werd ze benoemd tot officieuze tolk van de groep. Ze vond dat erg leuk.

Tijdens de reis is ze maar drie dagen in Charkov bij haar familie geweest. Alle familieleden die in de gelegenheid waren kwamen op bezoek en mijn oma, inmiddels 88 jaar maar nog goed aanspreekbaar, heeft haar dochter dolgelukkig in de armen gesloten. Ooms en tantes, neven en nichten, iedereen kwam mijn moeder begroeten en bracht cadeautjes mee. Maar ook tassen vol met appels en peren, die ze natuurlijk niet allemaal mee kon nemen. Ze heeft zoveel mogelijk cadeaus in haar bagage gestopt waaronder een balalaika, Russische houten lepels en omslagdoeken. Er werden foto’s gemaakt en hoewel het maar een kort bezoek was, heeft ze enorm genoten en ze was intens gelukkig dat ze haar moeder na zoveel jaar weer mocht ontmoeten. Ik herinner me nog goed hoe ze enthousiast vertelde over iedereen die ze had gezien en herinneringen had opgehaald aan haar jeugd.
Toen mijn vader een aantal jaren later van zijn bedrijf toestemming kreeg om voor familiebezoek naar het Oostblok te reizen, zijn ze nog een paar keer met de trein naar Oekraïne gegaan. Mijn oma, Marva Pawlenko, was de laatste keer erg dement en heeft niet veel meer van het bezoek begrepen. Ze is spoedig daarna overleden. De jongste zuster van mijn grootmoeder en haar man zijn in 1977 op bezoek geweest in Nederland. Daarna werd het reizen naar Rusland moeilijker omdat iedereen oud werd en de reis te bezwaarlijk. Bovendien liet de gezondheid van mijn vader te wensen over. Toen mijn moeders broer Wladimir in de jaren tachtig overleed was ze erg verdrietig, maar ze sloot op dat moment ook haar Russische leven af.

Mijn vader is in november 2004 op 80 jarige leeftijd overleden aan een hartkwaal, waar hij al jaren aan leed. Mijn moeder heeft het daarmee erg moeilijk gehad en voelde zich oneindig eenzaam zonder haar maatje. Ze hoopten in 2005 hun diamanten huwelijksfeest te kunnen vieren, maar het mocht niet zo zijn. Zij overleed in november 2009 en is 88 jaar geworden.