Main Content

Voedsel en kleding in historisch perspectief We zijn wat we eten en dragen

  • 23 augustus 2010
<p>Nicolas Drocourt</p>
Zoom

Nicolas Drocourt

Veel historici hebben er een handje van: prat gaan op hun eigen expertise. De sprekers in deze sessie over voedsel-en kledinggeschiedenis deden dat met zoveel passie en overtuiging, dat de zaal het wel moest geloven: voedsel en klederdracht zijn zeer belangrijke thema’s binnen de geschiedwetenschap.

Voedsel en kleding zeggen iets over persoonlijke en nationale identiteit, “we zijn wat we eten en wat we dragen”. Het zegt iets over de groep waartoe je behoort; op sociaal, economisch, cultureel en politiek niveau. Het gaat over rangen en standen, over handel en diplomatie, over ziekte en gezondheid. Peter Scholliers, die deze sessie tijdens het internationale geschiedeniscongres in Amsterdam opende, wist al snel de vinger op de zere plek te leggen: pas in de jaren ‘90 van de vorige eeuw werd onderzoek op het gebied van kleding en voedsel in de geschiedwetenschap echt serieus genomen.

Nicolas Drocourt verdiepte zich in het Byzantijnse Rijk, en de rol van kleding en voedsel als diplomatiek middel. In het contact met buurlanden werden etenswaren en kostuums gebruikt om superioriteit uit te stralen en culturele verschillen te benadrukken. Dankzij schriftelijke overlevering weten we dat deze diplomatieke betrekkingen niet altijd even soepel verliepen als het op kleding en voedsel aankwam. Een gezant uit het Westen vond het eten dat hem in Constantinopel werd voorgeschoteld verschrikkelijk en hij kon er geen wijs uit dat de hoogwaardigheidsbekleders van die enorme tunieken droegen. De Byzantijnse keizer klaagde op zijn beurt weer over de Griekse wijn die hij niet te drinken vond. Ook de symboliek van bepaalde kleuren werd niet altijd door de ander begrepen. Paars was een belangrijke kleur voor de Byzantijnen. Het was dan ook moeilijk te verteren dat de Paus ook met een paars gewaad rondliep. Onbegrip over deze zogenaamde codes leverde vaak verwarring op. Alle neuzen wezen wel dezelfde kant op als het ging om het waardevolle zijde. Daarmee hadden de Byzantijnen een krachtig diplomatiek instrument in handen.

Hannele Klemettilä wist veel te vertellen over de geschiedenis van één bepaalde kledingsoort: bont. In de late Middeleeuwen was er in Frankrijk, Engeland en Italië een enorme opkomst in het gebruik van bont. En helaas voor de eekhoorn was zijn velletje in de 14e eeuw het meest populair. Voor een Koninkijke mantel werden al gauw duizend eekhoorns van hun eigen rode manteltje ontdaan. Na 1370 vielen de ogen van de rijken en notabelen vooral op de vacht van de hermelijn. En in de 15e eeuw werd bont van het sabeldier populair (tot opluchting van de eekhoorn). Het dragen van bont stond voor gezag en waardigheid. En ook hier was er sprake van enige symboliek, die afgeleid werd van het natuurlijke gedrag dat het dier vertoonde als het nog zou hebben geleefd. Zo liep Koning Balthasar in de 16e eeuw het liefste rond in een 'exotische katachtige'. Het gebruik van bont was niet voor iedereen weggelegd. Arbeiders en knechten die minder dan veertig shilling aan goederen in hun bezit hadden, werd verboden bont te gebruiken. Bont werd in de late Middeleeuwen breed ingezet: voor kleding, magie, therapie en kunst. Leonardo DaVinci was de eerste die zich publiekelijk verzette tegen het gebruik van bont en de wreedheid tegen dieren.

Vervolgens was het de beurt aan Nail Usmanov. Hij legde vooral het verband tussen voedsel en hulpverlening en voedsel en gezondheid. Als voorbeeld gebruikte hij de hongersnood in Rusland van 1921 tot 1924. Na zeven jaren van oorlog en revolutie was de Russische bevolking de wanhoop nabij. Nergens was meer voedsel te verkrijgen, mensen aten massaal honden, katten en ratten. Plaatselijk kwam er zelfs kannibalisme voor. De voedselhulp die Amerika schonk, heeft het leven van miljoenen Russen gered. Veel vertrouwen was er niet tussen de twee landen. Amerika was bang dat het voedsel onderweg gestolen zou worden of dat het in de handen van de Bolsjewieken terecht zou komen die er vervolgens wapens van zouden kopen. Rusland was bang dat Amerika de voedselhulp alleen als diplomatiek middel gebruikte om zo macht uit te oefenen op Rusland en het Bolsjewistische bewind. De Amerikaanse voedselhulp is enorm belangrijk geweest voor de ontwikkeling van Rusland, en ook de kleding die Amerika opstuurde. De Russen moesten leren koken met Amerikaans producten en ze droegen Amerikaanse kledij. Zelfs het Rode Leger droeg kleding uit Amerika. Het is een thema in de geschiedenis dat nog onvoldoende bestudeerd is, onder andere doordat Rusland het lange tijd uit de geschiedenisboeken heeft weten te houden.

Het woord was aan Mina Roces. Zij bestudeerde de verbanden tussen kleding, status en identiteit in de geschiedenis van de Filipijnse elite in de tijd van de Spaanse overheersing en daarna. In deze geschiedenis speelt 'piña' een grote rol. Piña is een vezel van de ananasplant. Hiervan kan kleding gemaakt worden. Een behoorlijk arbeidsintensief klusje, wat de piña-kleding duur en zeer exclusief maakt. De Filipijnse elite liep er graag in, ze hielden van het idee dat er maandenlang was gewerkt aan hun kledingstuk en dat ze het zo op grond konden gooien als ze dat wilden. Dat was een boodschap die ze graag wilden uitdragen. Piña stond gelijk aan exclusiviteit en een hoge sociale status. Aangezien piña-fashion alleen op de Filipijnen werd geproduceerd, werd de kleding een nationaal symbool en gaf het de Filipijnen een nationale identiteit. Nadat Amerika de macht overnam in de Filipijnen, raakte het dragen van piña uit de mode. Roces wisselde woorden met prachtige beelden af, zo werd het een leerzame modeshow om naar te kijken.

Met een hoop armgezwaai en een enthousiaste lach vertelde Carol Gold over aardappelen en de Deense nationale identiteit. Hoewel aardappelen oorspronkelijk afkomstig zijn uit de ‘Nieuwe Wereld’ worden ze in Denemarken gezien als typisch Deens. Het lijkt erop dat de piepers zo ingeburgerd zijn dat de oorsprong is vergeten. Denen zien aardappels als Deens. En blijkbaar hebben de Denen daar behoefte aan, want het is voor hen zoeken naar een nationale identiteit. Volgens Carol Gold kent Denemarken weinig nationale feestdagen. Op 5 juni wordt de dag van de constitutie gevierd, maar het is geen vrije dag. Als nationale symbolen noemt Gold de Deense vlag, het volkslied en het Deense koningshuis, maar veel verder komt ze niet. Dus hebben alle Denen de aardappel in hun hart gesloten. Behalve de nieuwe generatie dan, die keert de aardappel massaal de rug toe om zich vervolgens op een bord met pasta te storten. Om de band met de aardappel te verduurzamen hebben de Denen een raad in het leven geroepen: ‘The Danish National Potato Council’. Elke 15e juni van het jaar moet het eten van aardappelen gepromoot worden. Of Carol Gold daar zelf goed aan mee helpt, is de vraag. Ze laat op het projectiescherm een aantal maaltijden met aardappelen zien. In zwart wit. Toch wat minder smakelijk.

AdV