Main Content

Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel heersten in kunstrijden Olympisch goud voor Nederlands kunstschaatsen

  • 17 februari 2010
<p>Sjoukje Dijkstra (rechts) en Joan Haanappel in afwachting van het eerste Olympische sport-tv-interview op de Nederlandse tv met Siebe van der Zee.</p>
Zoom

Sjoukje Dijkstra (rechts) en Joan Haanappel in afwachting van het eerste Olympische sport-tv-interview op de Nederlandse tv met Siebe van der Zee.

Er is een tijd geweest dat twee Nederlandse kunstrijdsters aan de wereldtop stonden, Joan Haanappel en Sjoukje Dijkstra. Deze maand vijftig jaar geleden won Sjoukje een zilveren medaille op de Olympische Winterspelen, vier jaar later won ze zelfs Olympisch goud. Andere Tijden maakte twee jaar geleden een aflevering over deze bijzonder prestatie in de Nederlandse geschiedenis van het kunstrijden.

In 1949 komen Joan en Sjoukje elkaar voor het eerst tegen de HOKIJ-kunstijsbaan in Den Haag. Kunstrijden stelt vlak na de Tweede Wereldoorlog in Nederland nauwelijks iets voor. Wie schaatste deed aan hardrijden, reed toertochten of beoefende het traditionele schoonrijden: het statige zwaaien en zwieren op de buitenkant van een speciaal voor dit doel ontwikkelde schaats. Kunstrijden, met zijn verplichte figuren en het vrije kürrijden, dat was hier nauwelijks bekend.

Het kunstrijden is naar Nederland gebracht door de Noorse schaatsdiva Sonia Henie. Op 24 november 1934 is de Olympische kampioene van 1928 en 1932 de topattractie bij de opening van de eerste kunstijsbaan in Nederland aan de Linnaeusparkweg in Amsterdam-Oost. Langs de boarding staat de toen 9-jarige Annie Verlee. In de jaren vijftig zou zij als trainster van Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel het kunstrijden tot een hype maken.

In 1951 gaat het duo Sjoukje en Joan, pas 9 en 10 jaar oud, met trainster Annie Verlee in een vrachtvliegtuig naar Londen om te gaan trainen bij de vermaarde kampioenenmaker, de Zwitser Arnold Gerschwiler. Ze blijken al snel tot elkaar veroordeeld. Allebei veel talent, en allebei een leven dat voor kinderen volkomen onbekend was. Alle vrije tijd gaat op aan de trainingen. In 1954 debuteerde het duo bij het Europese kampioenschap in het Italiaanse Bolzano. De prille tieners worden 18e en 19e.

Twee jaar later maakt het grote publiek voor het eerst kennis met Sjoukje en Joan. Voor het nieuwe medium televisie draaide Siebe van der Zee in het Olympische Cortina d’Ampezzo een legendarisch interview met twee schuchtere meisjes die braaf met “ja meneer” en “nee meneer” antwoorden. Drie jaar later raakt Nederland, in de jaren vijftig niet erg verwend met internationale sportsuccessen, bij het Europees kampioenschap in Davos, helemaal in de ban van het kunstrijden.

Sjoukje en Joan zijn beiden favoriet voor de titel en voor het eerst in de geschiedenis is er op de zondag van de vrije kür geen kip op straat te bekennen. Wie nog geen tv heeft nestelt zich bij buren of voor de etalage van tv-winkels om niets te missen van de dubbele Axels, Rittbergers, Salchovs en pirouettes.

De Nederlandse kunstrijdsters winnen verscheidene medailles. Joan haalt vijf nationale titels, op internationale wedstrijden heeft ze het moeilijker. Sjoukje kan beter tegen de zenuwen en haalt vijf Europese titels, drie wereldtitels en in 1964 een Olympische titel.

De schaatshype die Sjoukje en Joan creëerden is uniek in de Nederlandse sportgeschiedenis. Anders dan hun hardrijdende evenknie Ard en Keessie zorgen zij in eigen land niet voor een continuïteit in de populariteit van hun sport. Na Sjoukje en Joan verdwijnt het kunstrijden in de marge van het vaderlandse sportleven. Het beleeft alleen nog een opleving met Dianne de Leeuw, een Amerikaanse Nederlander, die dankzij haar dubbele paspoort in 1976 voor Nederland een zilveren Olympische medaille weet te winnen.