Hoe Sinaida Pawlenko en Harm Greevink elkaar tijdens de oorlog in Berlijn ontmoetten Een Oekraïens-Twentse liefde (deel 3)

- Zoom
- Oekraiense vluchtelingen ca. 1941
De liefde en de dood gaan in tijden van oorlog vaak hand in hand. Soms overwint de liefde. De Oekraïense Sinaida Fedorowna Pawlenko en de Drentse Twent Harm Greevink ontmoetten elkaar in mei 1942 in een Berlijnse munitiefabriek. Na de oorlog trouwden ze en vestigden zich in Almelo. Na de dood van Sinaida vond dochter Marian een dagboek van haar moeder. Dit zeer bijzondere dagboek heeft ze voor internet bewerkt en zal de komende weken op deze website in afleveringen worden gepubliceerd.
bewerking en commentaar: Marian Kruijt-Greevink
Deel 1: Jeugd in de Oekraïne (1921 - 1937)
Deel 2: Werk en opleiding (1937 - 1940)
Deel 4: Dwangarbeid in Berlijn 1942
Deel 5: Sinaida en Harm (Berlijn, 1944)
Deel 6: Bevrijding en huwelijk (1945 - heden)
Deel 3: Oorlog in de Oekraïne
Achtergrondinformatie over de oorlog in de Oekraïne
In 1941 vielen de Duitsers de Sovjet-Unie binnen. Er zijn bij de inval ongeveer 600.000 Sovjetsoldaten gedood of krijgsgevangen gemaakt. De dag na de inval begonnen de soldaten overal de huizen te plunderen. Alles wat ze van belang vonden werd meegenomen. Meubels, levensmiddelen, schoenen, waardevolle zaken en als je protesteerde: de kogel.
De invasie van de Oekraïne (Duitse kleurenfilm, onbekende maker)
De levensmiddelenvoorraden die de bevolking in silo’s hadden verstopt werden in beslag genomen en in goederenwagons naar Duitsland getransporteerd. De bevolking was verlamd door angst en verdriet. Kennissen, vrienden en buren werden zonder pardon opgepakt en ter dood gebracht. Op alle kruispunten en bruggen van de dorpen en steden stonden Duitse soldaten te controleren. En er werd direct geschoten als mensen probeerden de controleposten te omzeilen. De winkels en bedrijven waren leeg, er was alleen maar angst, angst, angst…
Daarnaast gingen de Duitsers over tot grootschalige Jodenvervolgingen (bijna 1,5 miljoen doden in Oekraïne). Het is een deel van de Holocaust dat tot nu toe onderbelicht is gebleven. In afgelegen dorpen in Oekraïne werden burgers gedwongen om grafkuilen te graven en hun dorpsgenoten en Joden te executeren. Soms werd de bevolking gedwongen om toe te kijken hoe hun eigen burgers werden doodgeschoten of opgehangen. Ook de Duitse soldaten kwamen kijken en gingen foto’s maken. Op internet zijn tal van dit soort foto’s te vinden van Oekraïense dorpen met opgehangen burgers. De Duitsers staan erbij te lachen. Leuke foto voor thuis…
Pogrom in Lwow/Lviv/Lemberg in 1941
Het beleid van de nazi’s ten opzichte van de Joden was even simpel als onvoorstelbaar: ‘Een kogel per Jood, één Jood per kogel’. In die periode verloor Oekraïne een zesde deel van haar bevolking. Op 23 en 24 oktober 1941 veroverden de Duitsers Charkov.
De slag om Kharkov (Duitse Wehrmachtfilm)
Uit het dagboek van Sinaida
Overal was er spanning. Oorlog, oorlog, oorlog. Bedrijven, scholen, universiteiten, alle instellingen, rijkskantoren, iedereen bereidde zich voor op evacuatie naar Siberië. “De vijand komt”. Ondanks het niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie besloten de Nazi’s om aan te vallen. De bevolking begon in paniek te raken, vooral na de oproep om te vertrekken. Mijn beste (Joodse) vriendin heeft me gevraagd om samen met haar familie te evacueren. Ik voelde daar wel wat voor, maar mijn vader was zwaar hartpatiënt en hij vond het niet goed dat ik zou vertrekken. Hij was door zijn ziekte een onaangenaam mens geworden en heel cynisch. Hij vroeg me dan ook of ik met ‘die Joden’ mee wilde gaan om voor hen pispotten schoon te maken. Blijkbaar had hij geen plezierige herinneringen aan Joden, ik weet het niet, maar de uitkomst was dat ik bleef en mijn broer Wladimir bleef ook. Wie zal het zeggen of we daar goed aan hebben gedaan?
Het was een massa mensen dat uitweek naar veiliger oorden, maar waar moest je zo’n grote hoeveelheid mensen In zo’n verlaten en koud deel van Rusland onderbrengen? Meisjes moesten zich verstoppen voor de Duitse soldaten, want geen enkele vrouw was veilig. Russische bedrijven hadden het bevel gekregen om alle machines en bruikbare materialen op transport te stellen naar Siberië. Alles en iedereen ging weg en overal was het leeg. Niets, maar dan ook niets en niemand mocht in Duitse handen vallen. Men liet waterleidingen in graansilo’s springen zodat het graan niet meer bruikbaar was. In de dorpen rondom Charkov werden alle graanvoorraden en levensmiddelen met petroleum overgoten en in brand gestoken.
Niet iedereen was in staat om te vluchten. De mensen die niet konden of wilden evacueren kregen opdracht om antitank gleuven te graven. Omdat de meeste mannen gemobiliseerd waren konden alleen de vrouwen dit werk doen. Mijn moeder was in die tijd ongeveer 50 jaar en zij hielp ook met het graven. Het was een sombere, kale en koude periode. Het ontbrak aan alles: medische hulp, brandstof, etenswaren, niets was er te krijgen.
Het is afgelopen met mijn studie die ik pas ben begonnen na het toelatingsexamen voor de medische faculteit. Alles, alles, rust, vrede en plannen, alles was vernietigd. Mijn broer Wladimir en alle jonge mannen kregen een oproep en ze werden naar Duitsland gedeporteerd. Ik bleef achter en moest voor mijn ouders zorgen. Het was 1941, ik was 20, het was herfst en heel koud. Samen met andere vrouwen ging ik naar het dorp van familie van mijn ouders (Ogoelcy) 40 km. lopen om wat kleren te ruilen voor iets eetbaars. Maar de Duitse soldaten waren al eerder langs de dorpen gegaan en hadden ook alles wat eetbaar was weggehaald. Zij waren ver van hun land verwijderd en hadden ook weinig te eten. Voor de inwoners van Oekraïne hebben ze niets achtergelaten. Ik heb van mijn tantes wat gekregen, maar op de terugweg naar huis, bij een Duitse controlepost, hebben de soldaten een kwart van mijn voorraad afgepakt.
Kanonnenvet
Op een dag kwam een Duitse officier bij mijn vader thuis met het verzoek of hij een paar chroomleren laarzen voor hem wilde maken. Mijn vader was een trotse man die zijn vak verstond en een paar luxe leren laarzen maken was geen probleem voor hem. De Duitse officier bood mijn vader levensmiddelen aan in ruil voor zijn werk, dus hij heeft toegestemd. Toen de laarzen klaar waren was mijn vader heel trots dat het hem weer gelukt was ondanks dat hij ziek was en toch ook al 60 jaar was. De officier was ook heel blij en voor deze prestatie kreeg mijn vader drie kilo vet. In een tijd dat er nauwelijks iets te eten was, was dat een meevaller. Maar toen mijn moeder het vet in de braadpan deed ging het vreselijk walmen en stinken en toen bleek dat het kanonnenvet was.
Korte tijd daarna ging mijn vaders conditie erg achteruit. Hij hield veel vocht vast en had het beurtelings warm en dan weer koud. Als vader het benauwd kreeg dan stond ik bij hem te zwaaien met een krant of met de kaft van een boek om hem verlichting te geven. Op 25 december 1941 kwam dan toch het einde. Hij vroeg om een kopje thee en iets te eten, een stukje brood was genoeg. De thee had hem lekker gesmaakt en moeder moest hem helpen zijn benen weer op het bed te leggen want die waren helemaal opgezet en dik van het vocht. Toen hij zijn hoofd op het kussen had gelegd, blies hij zijn laatste adem uit.
Koolraapsoep
We hadden een enorm probleem, want wat moesten we nu doen? Er was nergens iets te krijgen, geen hout voor een kist, geen mensen om te helpen en hoe moesten we hem toch begraven? Een tijdje daarvoor, toen voedsel nog wat minder schaars was, heeft mijn moeder eens een hongerige Oostenrijkse soldaat, die in het Duitse leger diende, getrakteerd op een bordje zelfgemaakte koolraapsoep. Nu mijn vader gestorven was vroeg zij hem of hij misschien wist waar een doodskist te krijgen was, want bij de Duitsers sterven er natuurlijk ook mensen en die moeten ook begraven worden. Deze Jozef wist inderdaad waar de Duitsers doodskisten lieten maken en hij kreeg een kist te pakken die te kort was voor de Duitsers. Op welke manier hij dit voor elkaar heeft gekregen weet ik niet, maar hij heeft die kist opgehaald en er met een paar planken een deksel opgetimmerd. Daarna heeft een kennis buiten de stad in het bos voor een stuk brood een kuil laten graven. Het was heel erg koud, wel 25 graden vorst en om dan een kuil te graven in de bevroren kleigrond, was niet zo gemakkelijk. Maar met behulp van een pikhouweel werden er grote klompen aarde uitgehakt en hoewel de kuil niet diep genoeg was, werd mijn vader zonder ceremonieel gedoe als een dier onder de grond gestopt. Dit was mijn eerste levensfase in bezettingstijd. Maar het leven ging door.
donker plekje
Het was die winter heel erg koud en er was geen hout om de kachel te stoken. Ik ging met mijn moeder vaak langs de spoorlijn lopen om te zoeken naar antracietkooltjes die uit de trein waren gevallen. Dezelfde Oostenrijkse Jozef heeft ons toen aangeboden om van oude barakken, die hij ergens wist te staan, houten planken af te halen. Ik nam een sleetje en ben met hem meegegaan. Hij wrikte de planken met onze bijl los, legde ze op het sleetje en we aanvaardden de terugtocht. We kwamen in een straat met aan de ene kant de lange muur van de begraafplaats met daarin inhammen en aan de andere kant woonhuizen. De Duitsers hadden een verordening ingesteld dat na 6 uur ‘s avond niemand meer op straat mocht lopen, ook de Duitse soldaten niet, maar Jozef zag een donker plekje en zei dat hij niet verder wilde lopen. Ik werd kwaad en begreep direct waar hij op uit was. Voor de zekerheid heb ik de bijl gepakt en begon zelf het sleetje verder te trekken. Ik zei tegen hem dat als hij me niet verder wilde helpen, ik naar de mensen die aan de overkant woonden zou gaan om te vragen of ik daar kon blijven. En dan zouden we de militaire politie vragen om jou te arresteren. Hij was woedend maar hij heeft het touw uit mijn hand gerukt en bracht het sleetje naar ons huis.
We hebben hem een paar maanden niet meer gezien, maar toen kwam hij op een dag met zes mooie porseleinen borden om het weer goed te maken. Ik heb hem toen naar buiten gestuurd en de porseleinen borden voor zijn voeten stuk gegooid. Ik zei tegen hem dat hij die borden maar moest terugbrengen waar hij ze vandaan had gehaald en dat was het laatste wat we van Oostenrijkse Jozef hebben gezien.
Deportatie
Al gauw daarna ontving ik een brief dat ik mij moest melden op school met een koffer met kleren, geen zondagse, en als je dat in je bezit had ook een pick-up, radio of naaimachine. We zouden gedeporteerd worden naar Duitsland om daar te werken. De achterblijvende ouder kreeg één roebel per week als compensatie. Als ik niet zou verschijnen zou ik worden opgehaald en bestraft. En zo moest mijn doodongeruste moeder helemaal alleen achterblijven, zonder man en zonder kinderen. Mijn broer zat in een werkkamp in Hannover en nu moest ik ook vertrekken. Ik zou haar 32 jaar later pas weer in de armen sluiten. Dit was de tweede fase van mijn leven.
Harm Greevink, Almelo 1924 - 1943
Achtergrondinformatie
Mijn vader heette Harm Greevink en is geboren op 11 juni 1924 in Odoorn in Drenthe, als derde zoon van Janna Klein (geb. 1891, overleden in 1965) en Thomas Greevink (geb. 1889, overleden in 1980). Ze kregen in totaal 10 kinderen, waarvan de jongste is overleden voor de eerste verjaardag. Mijn vader was het 7e kind in het gezin. Mijn grootouders waren landarbeiders met weinig opleiding, kwamen zelf ook uit een arbeidersgezin, en zij gingen wonen waar werk te vinden was. Ten tijde van hun huwelijk werkten ze in de turfafgravingen in de buurt van Emmen, en dat was een hard leven, vooral toen het gezin ging groeien. Mijn grootvader was een driftige, vaak onredelijke man en liever lui dan moe. Een eigenschap die hij helaas aan een aantal van zijn kinderen heeft overgedragen. Als hij ruzie had met zijn vrouw, dan sloot hij zichzelf in de schuur op en kwam er de hele verdere dag niet meer uit.
Uit verhalen van mijn vader herinner ik me dat ze een tijd op een zandschip hebben gevaren. Een loodzwaar schip dat via een jaagpad vooruit getrokken moest worden met een paard. Het meeste en zware werk werd door mijn grootmoeder gedaan. Ze hebben lange tijd in Drenthe gewoond, net als veel van hun broers en zusters. De meeste van hun kinderen zijn daar geboren.
Op 21 mei 1917 is bij baggerwerkzaamheden een grote veenbrand ontstaan waarbij 17 personen zijn omgekomen. Waarschijnlijk is toen ook het gemeentehuis in hun gemeente afgebrand waardoor alle gegevens verloren zijn gegaan. Ieder gezin moest zich opnieuw laten registreren. Toen de oudste zoon ging trouwen moest hij zichzelf apart aanmelden en hij heeft dat gedaan als Grevink (met één e) terwijl alle andere familieleden de naam Greevink gebruikten, met twee e’s. Vanaf dat moment heten zijn afstammelingen Grevink. Bij het genealogisch onderzoek naar de familie Greevink hebben mijn broer en ik voorouders gevonden tot ca. 1625. De variaties die in onze achternaam voorkomen zijn talrijk, o.a. Grewynck, Grevinck, Greevinck. Iedereen met een dergelijk soort naam kan dus familie zijn.
Uiteindelijk zijn Thomas en Janna met hun grote gezin verhuisd naar Twente. Ze schijnen tientallen keren verhuisd te zijn, meestal omdat de huur ergens anders een paar kwartjes goedkoper was. Ze kozen voor Twente omdat er in die tijd veel werkgelegenheid was in de textielindustrie. Veel van mijn ooms en tantes werkten in de verschillende textielfabrieken of aanverwante bedrijven, want de crisistijd van de jaren dertig maakte een mens niet kieskeurig. Een tante vertelde me eens dat ze ‘s morgens om vier uur moesten opstaan om lopend naar de fabriek te gaan, in totaal anderhalf uur lopen. Tegen de avond liepen ze dan het stuk terug.
Toen Thomas ongeveer 45 jaar was kreeg hij astma. De dokter waarschuwde hem dat hij nog maar kort te leven had, en vanaf dat moment heeft hij weinig tot niets meer uitgevoerd. Hij is 91 jaar geworden… Een herinnering van mijn vader: Wij woonden langs een kanaal . Als het ‘s zomers warm was, dan wilden de kinderen natuurlijk graag het water in. Vader Thomas verbood dat nadrukkelijk en dreigde ze met een stok te slaan als hij merkte dat ze gingen zwemmen. Zelf kon hij het ook niet en hij was bang voor water. Zijn kinderen hebben natuurlijk niet altijd naar dat verbod geluisterd, maar echt leren zwemmen heeft niemand. Blijkbaar waren ze toch te bang voor hun vader of voor de stok waarmee hij hen dan afranselde.
Van weinig inzicht getuigt ook het volgende voorval. Thomas en Janna hadden een mooie oude kast, die niet goed in de woonkamer paste want hij was te hoog. Thomas heeft hem toen met een bijl bewerkt zodat het wel paste. Hij sloeg gewoon de bovenkant eraf. Een stoel met een losse poot? Hij ramde er een grote spijker dwars doorheen.
Veel opleiding hebben hun kinderen nooit gekregen, de meesten kwamen niet verder dan de lagere school. De oudste zoon ging met textiel langs de boerderijen en uiteindelijk heeft hij als zelfstandig marktkoopman in onderkleding de kost verdiend. De twee jongste broers hebben een opleiding gehad op een seminarie in Zwitserland waar ze beiden dominee zijn geworden.
Na de lagere school werkte mijn vader een aantal jaren o.a. als knecht bij een groenteman. Toen hij in 1943 (hij was toen 16 jaar) een oproep kreeg om zich te melden voor werk in Duitsland, is hij ondergedoken. Helaas werd hij verraden en is opgepakt, waarna hij op transport werd gesteld naar Strausberg bij Berlijn. Daar heeft hij tot het eind van de oorlog in 1945 dwangarbeid verricht in een munitiefabriek.
Extra afbeeldingen
- Zoom
- Sinaida in het laboratorium, ca. 1939 (foto: familiearchief)
- Sinaida in het laboratorium, ca. 1939 (foto: familiearchief)
- Zoom
- Oekraiense vluchtelingen ca. 1941
- Oekraiense vluchtelingen ca. 1941
- Zoom
- Harm Greevink (foto: familiearchief(
- Harm Greevink (foto: familiearchief(
- Zoom
- Gezinsfoto ca. 1932. Harm Greevink is de derde persoon rechts (foto: familiearchief)
- Gezinsfoto ca. 1932. Harm Greevink is de derde persoon rechts (foto: familiearchief)
- Zoom
- Thomas Greevink, vader van Harm (foto: familiearchief)
- Thomas Greevink, vader van Harm (foto: familiearchief)
- Zoom
- Janna Greevink-Klein, moeder van Harm (foto: familiearchief)
- Janna Greevink-Klein, moeder van Harm (foto: familiearchief)
- Zoom
- Gezinsfoto ca. 1930: Het jongetje in het midden, met het donkere jasje, is Harm Greevink (foto: famiilearchief)
- Gezinsfoto ca. 1930: Het jongetje in het midden, met het donkere jasje, is Harm Greevink (foto: famiilearchief)
- Zoom
- 000
- Zoom
- 0000
- Zoom
- 00000
- Zoom
- 00000
- Zoom
- 000000