Main Content

Gerard Reve en God als de ezel de laatste vervolgde Einde aan godslastering

  • 29 juni 2010
<p>Gerard Reve en God als de ezel (De grote Gerard Reve Show, 1974)</p>
Zoom

Gerard Reve en God als de ezel (De grote Gerard Reve Show, 1974)

De Wet op de Godslastering lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. Een meerderheid in de Tweede Kamer plus de Raad van State is van mening dat het artikel afgeschaft kan worden. In 1968 werd artikel 147 voor het laatst (tevergeefs) gebruikt om schrijver Gerard Reve aan te klagen. In dit zogenaamde “Ezelsproces” werd de schrijver vrijgesproken.

In 1932 werd Godslastering in artikel 147 strafbaar gemaakt. De communisten kregen de schuld. Zij trokken na de EersteWereldoorlog het meest fel te hoop tegen de godsdienst als, zoals Marx het had genoemd, “opium van het volk”. Dat was opmerkelijk, want in 1881 had de liberale minister van Justitie Modderman een verbod op godslastering nog afgewezen met het argument dat God zijn eigen boontjes wel kon doppen: ‘Ik meende, dat het sedert lang vaststond, dat God zijn rechten zelf wel weet te handhaven’, zei hij.

Vlak voor Kerst 1930 publiceerde het communistische blad De Tribune een artikel dat opriep het Kerstfeest af te schaffen. Twee jaar later toonde het blad een spotprent waarin twee arbeiders de bijl aan het kruis van Christus zetten.

Voor minister van Justitie Jan Donner (de grootvader van de huidige minister Piet Hein Donner!) was dit de aanleiding om godslastering strafbaar te stellen. Op openbare godslastering in woord of beeld werd een gevangenisstraf (respectievelijk maximaal 1 en 3 maanden) of een geldboete (maximaal ƒ 100,- en ƒ 150,-) gesteld.

Ezelsproces

In de allereerste aflevering van "Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij" had Gerard Kornelis van het Reve (zoals hij toen nog heette) een 'Brief aan mijn Bank' opgenomen. Daarin vertelde de schrijver hoe hij zich de Wederkomst voorstelde: ’Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.

Op 22 februari 1966 stelde SGP-parlementariër ir. C.N. van Dis Kamervragen over deze uitlatingen en drong aan op vervolging op grond van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht. De ministers antwoordden dat het Amsterdamse parket inderdaad vervolging zou instellen. De officier van justitie betrok in zijn dagvaarding ook een nauw verwante passage uit de inmiddels verschenen bundel 'Nader tot U'. Daarin had Van het Reve namelijk geschreven: ’En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?” „Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: „Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’

De rechtbank oordeelde dat de passages weliswaar godslasterlijk waren, maar geen smalend karakter hadden. Reve ging daarop in hoger beroep, waarbij hij zelf zijn verdediging voerde. Hij wees er onder andere op dat de wet een onzinnig onderscheid maakt tussen het lasteren van personen die als God worden vereerd en het uitschelden van bijvoorbeeld Maria, Boeddha, of Krishna, die immers niet als goden worden beschouwd. Van het Reve werd vrijgesproken — een oordeel dat in april 1968 door de Hoge Raad werd bevestigd. Kort daarop werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend.

Minister Klompé van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ging bij die gelegenheid uitgebreid in op het “Ezelsproces” (dinsdag 26 augustus 1969): “Ik heb nog eens de pleitrede gelezen die hij in 1967 voor het Amsterdamse Gerechtshof heeft gehouden, als ‘verdachte’ (vergeeft U me het gebruik van dit woord op deze avond). Deze rede mag dan misschien nog niet officieel tot Uw literair werk worden gerekend, ze blijkt op heldere, ironische en vooral waardige wijze weer te geven, wat de auteur zich verworven heeft aan theologische inzichten en religieuze ideeën en hoe hij meent deze te kunnen verweven in zijn letterkundige arbeid. Een passage, die mij daarin bijzonder getroffen heeft, wil ik hier verkort herhalen:

Ik ben van mening, dat de kunstenaar dezelfde rechten en plichten heeft als ieder ander en dat hij in het maatschappelijk verkeer dezelfde zorgvuldigheid in acht dient te nemen als dewelke iedere andere burger past. Het is een banaliteit dat ware vrijheid gebonden is en dat de grenzeloze vrijheid van de één de onvrijheid van de ander inhoudt. Ik weet van veel mensen… van allerlei dat de grondslag voor leesbare teksten zou kunnen vormen, doch dat ik nimmer op papier zal stellen, omdat zulks strijdig zou zijn met eer en fatsoen. Zo dient iedere schrijver zichzelf beperkingen op te leggen, maar twee beperkingen wijs ik af: ten eerste weiger ik… mijn teksten aan te passen aan het begripsvermogen van de slechte verstaanders. Dat is geen kwestie van beginsel maar van vakmanschap... Ten tweede weiger ik, maar dat is geen kwestie van vakmanschap, maar wel degelijk van beginsel, bij het vervaardigen van mijn tekst rekening te houden met de boze verstaanders.

AI is voor U, waarde Van het Reve, de aanleiding tot het schrijven van deze Defence of poetry (het proces dat U is aangedaan en dat U heeft gewonnen) niet aangenaam geweest, het harmonisch samengaan van hart en hoofd (en nu moet ik toch plotseling denken aan Pieter Corneliszoon en diens zinspreuk: ‘Nyet sonder hooft, noyt sonder hart’) heeft m.i. geleid tot een literair meesterstuk.

Of het juridisch sluit, wil ik niet beoordelen, maar wel heeft het mij kunnen overtuigen van de eerlijkheid van Uw bedoelingen. Met U meen ik dat de bedoelingen van de auteur en niet de opvattingen van bepaalde lezers prevaleren. Na lezing van dit pleidooi (ik had er met de lezing van ander werk van Uw hand de tijd voor genomen en niet ‘een snipperdag’) heb ik met volle overtuiging besloten U de prijs toe te kennen. Dat U echter ondanks die eerlijkheid of juist door die oprechtheid voor velen moeilijk verstaanbaar, ja zelfs onaanvaardbaar is, zal U bekend zijn. Voor U, die zulke geavanceerde meningen en gevoelens koestert en in menigerlei opzicht in de voorste gelederen loopt, konden botsingen niet uitblijven.

In Uw pleitrede geeft U als Uw overtuiging, dat ‘de narigheid mede verklaard kan worden uit het feit, dat sommige mensen niet begrijpen dat een religieuze tekst tegen elke interpretatie bestand is, behalve tegen die van de letterlijkheid’. Ge kent dezulken het recht toe tot letterlijke verklaring, maar, zo voegt ge daaraan toe: ‘ik vind dat dan zijn oordeel geen grotere geldigheid heeft dan dat van de mensen die (voorheen) buiten de schouwburg de boef uit het stuk stonden op te wachten om hem een pak slaag te geven’. Ik trek hieruit de conclusie dat ge U zelf ziet als een instrument in dienst van een hogere macht, zodat ge temidden van mensen ‘op de helft van de ware grootte’ een leven moet leiden dat U zwaar valt en eigenlijk te zwaar.

Actie SHIVA

In 2001 was er grote opschudding ontstaan in de Hindoestaanse gemeenschap over een bedrijf dat onder de naam "Shiva Entertainment CV" pornografische video's verkocht. Binnen de Hindoe-filosofie wordt met de naam "Shiva" aangeduid "Het Opperwezen"; Shiva staat synoniem voor God bij aanhangers van de Hindoe-religie. De werkgroep Agni had handtekeningen verzameld van ongeveer 28.000 personen en eiste in kort geding dat het bedrijf zijn naam zou veranderen of ophouden onder die naam porno te verspreiden. Volgens de eisers was er sprake van godslastering, van belediging en van schending van de normen ter handhaving van de openbare orde. Deze, op godsdienstige gevoelens krenkende manier van uitlaten zou in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden. Het bedrijf voerde aan dat Shiva ook een gewone meisjesnaam is, en dat er meer bedrijven bestaan met het woord 'shiva' in de naam. Op 2 augustus 2001 deed de Amsterdamse rechtbank uitspraak. Daarbij werd de eis afgewezen, omdat niet gebleken was dat het bedrijf de bedoeling had gehad de naam van God te gebruiken of te misbruiken.

Theo van Gogh

Op 10 november 2004 stuurden ministers Donner en Remkes een brief om de Tweede Kamer te informeren over de achtergronden van de moord op Theo van Gogh. Aan het eind van paragraaf 6.4 van die brief, Voorkomen en tegengaan van islamitische radicalisering stond: "Het kabinet heeft eerder aangekondigd dat de mogelijkheden voor verruiming van de strafbaarstelling voor belediging en godslastering, worden onderzocht. Dat onderzoek loopt nu nog. (...) Daarnaast beziet het kabinet of naast het strafrecht ook andere mogelijkheden bestaan om uitspraken op hun mogelijk beledigende karakter te toetsen. Te denken valt aan een commissie, vergelijkbaar aan de Commissie gelijke behandeling, die op verzoek van klagers uitspraken zal beoordelen. "

Vervolgens komt de discussie in een stroomversnelling: Op het CDA-congres te Utrecht op 13 november refereerde minister Donner (CDA) aan de brief aan de kamer en zei dat je mensen niet tot in het diepst van hun overtuiging en op grove wijze mag beledigen. Hij voegde er aan toe dat hij daarmee niet wil zeggen dat Theo van Gogh te ver is gegaan.

In het programma Buitenhof van 15 november reageerde minister Verdonk (VVD, Vreemdelingen en integratie) afwijzend: "Ik kan me niet voorstellen dat collega Donner bedoelt dat wij naar een lager incasseringsniveau moeten met zijn allen. Wij hebben hier vrijheid van meningsuiting en die moeten we gewoon bewaken" Minister De Graaf (D66, Bestuurlijke vernieuwing) stelde dat minister het lopende onderzoek naar verruiming van de strafbaarheid voor belediging en godslastering op eigen houtje zou doen en het zou bovendien in strijd zijn met het kabinetsbeleid. De Graaf beriep zich daarbij op een notitie over grondrechten, die het kabinet in mei van dit jaar naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Daarin wordt geconcludeerd dat de verhouding tussen rechtspraktijk en maatschappelijke praktijk het vooralsnog niet nodig maakt dat de wetsbepalingen worden gewijzigd.

Op 16 november betoogt D66-kamerlid Lousewies van der Laan in de Kamer dat het wetsartikel over godslastering beter helemaal afgeschaft kan worden. Het onderscheid tussen krenking van godsdienstige gevoelens en andere soorten van belediging zou volstrekt overbodig zijn. Andere bepalingen over belediging en kwetsing van bevolkingsgroepen zouden voldoende bescherming bieden. Zij dient daartoe op 23 november een motie in, maar deze wordt verworpen.

In maart 2008 hield de Tweede Kamer een debat met de regering waaruit bleek dat zich een meerderheid aftekende om het verbod op godslastering te schrappen. De regeringspartijen CDA en Christenunie verklaarden zich voorstander van een handhaving. Minister Hirsch Ballin besloot daarop met een voorstel te komen. Het kabinet stelde na enkele maanden de Kamer voor om artikel 147 te schrappen, maar tegelijkertijd artikel 137c 'te verduidelijken'. Hirsch Ballin stelde voor om in dat artikel het zinnetje 'middellijke of onmiddellijke' belediging op te nemen als strafbaar. Een deel van de Kamer vond dat een onwenselijke uitbreiding van artikel 137c omdat het indirecte belediging strafbaar zou maken. In een Kamerdebat in december 2008 zei Hirsch Ballin namens de regering dat de twee elementen van zijn voorstel niet deelbaar zijn. Dit zorgde zowel bij coalitiepartners ChristenUnie en CDA, als bij de PvdA voor een dilemma. CDA en CU besloten daarop voor een motie te stemmen van de SGP die de Regering opriep om alles bij het oude te laten. Deze motie werd verworpen. Op dinsdag 20 januari 2009 werd gestemd over een motie om in ieder geval artikel 147 te schrappen. Deze motie van het lid Boris van der Ham (D66) werd aangenomen, met steun van PvdA, VVD, SP, PVV, GroenLinks, PvdD en het lid Verdonk. Dit was de eerste keer sinds invoering van het wetsvoorstel in 1932 dat een meerderheid zich uitsprak over afschaffen.