Main Content

Gefilmd als "volkscultuur" voor de Lentefilm van Polygoon Begrafenissen in Hierden en Giethoorn in 1921

  • 24 maart 2010
<p>Rouwkleding in Giethoorn in 1921</p>
Zoom

Rouwkleding in Giethoorn in 1921

Begrafenissen worden zelden gefilmd, zeker niet van "gewone" mensen. Het is daarom opvallend dat al in 1921 twee begrafenissen werden gefilmd: één in Hierden en één in Giethoorn.

De gefilmde begrafenissen maakten onderdeel uit van de "Lentefilm" die Polygoon in 1921 vervaardigde. De film beoogde de Nederlandse volkscultuur vast te leggen. Het initiatief daartoe kwam mede van D.J. van der Ven, de toenmalige directeur van het Openluchtmuseum in Arnhem.

De begrafenis-cultuur diende vanzelfsprekend onderdeel uit te maken van de film. Als voorbeeld werden het Gelders-Veluwse Hierden gekozen, en het Overijsselse Giethoorn. Van beide begrafenis-rituelen werden ook aparte films gemaakt, die hier te zien zijn.

Over de begrafeniscultuur in Giethoorn, waar het transport van de lijkstoet over het water plaatsvond (en nog steeds vaak plaatsvindt), is vaak gepubliceerd. Zo schreef Bernardus Bueninck in 1900 een artikel in het blad "De aarde en haar volken" over Giethoorn, waarin ook een passage over de begrafeniscultuur voorkomt:

"Een begrafenis in Giethoorn maakt op iemand, die daar nimmer zulk een plechtigheid zag, een bijzonder diepen indruk. Het stoffelijk omhulsel van den overledene wordt over 't water vervoerd. Wanneer hij een uitgebreide familie heeft, geschiedt dit in een bok, anders in een kleiner vaartuig. Is het een groote begrafenis, waarbij dus een bok wordt gebruikt, dan bewijzen zestien vrouwen en zestien mannen de ‘vriendenplichten’. De zestien vrouwen nemen plaats in den bok en zitten op stoelen in een kring om de lijkkist heen, allen met het aangezicht er naar toe gekeerd. Zij houden gedurende de plechtigheid zwarte doeken, die zij over hare hoofden geslagen hebben, met hare handen voor het aangezicht, zoodat noch dáárvan, noch van haar handen iets te zien komt. Zoo’n luguber vaartuig, met die spookachtige gedaanten om zijn somberen last als het ware neergehurkt, dat daar even onhoorbaar is als de dood zelf voortzweeft, vormt een schrille tegenstelling met die rijke, welige, bloeiende natuur en met de blozende, blonde krullekopjes, die, in hun onschuld, soms van de hooge brugjes met verbazing dien zwarten stoet nastaren.

Maar niet altijd is die tegenstelling zoo groot. Wanneer in het najaar de stormen woeden of, erger nog, wanneer de vorst de wateren met een ijskorst heeft bedekt, dan is de natuur in overeenstemming met het tafreel, echter alleen om het nog verschrikkelijker te maken. Vreeselijk is het worstelen en tobben met zoo'n lijk, wanneer het ijs niet stevig genoeg is om het per slede te vervoeren en te dik om er met een schuit doorheen te komen. Dan moet er met de bijl in de hand een weg gebaand worden.

De zestien mannen, allen buren, worden verdeeld in twee klokkenluiders, vier die den bok moeten boomen; de overigen zijn dragers. De mannelijke familieleden en de dragers leggen den weg te voet af, op het voetpad naast den bok loopende. De dominee met het naaste familielid gaat daarbij voorop. Van de mannen die het vaartuig boomen, staan er twee voor- en twee achterop. Zoo trekt de stoet naar het kerkhof voort: een lange, moeilijke tocht vaak.

Vroeger bestonden er bij sterven en begraven in Giethoorn nog allerlei andere gebruiken. Wanneer iemand kwam te overlijden, werden terstond vier van de naaste buren (naobers) geroepen, om het lijk te verkleeden. Deze spoedden zich onverwijld naar het sterfhuis. Dan was het de vaste spreekwijs : ‘Goen avond, dat is hier eene schielijke verandering, jongens’ of: ‘hef de Heere hier zien wil edoan?’. Men nam dan, na eenig toeven, het lijk van het bed, ontkleedde het geheel, deed het een laken (hennekleed) om, en legde het in een hoek der kamer op stroo. Was dit verricht, dan aten de uitkleeders een boterham en dronken koffie, terwijl de familie gevraagd werd of er verder nog iets te bestellen was. Behoorde de overledene tot het Hervormde Kerkgenootschap, dan werd hij dadelijk verluid, d. i. dan werd met de kerkklok drie malen geklept als de doode een man, twee malen als de overledene van het vrouwelijk geslacht was. En op dit kleppen volgde een klokgelui van een minuut of vijf. Des avonds kwamen de ‘naobers’ andermaal aan het sterfhuis bijeen, ten einde het halen van het groevebier uit Meppel aan te besteden. Meestal werd dit dan aanbesteed tegen betaling van twaalf duiten door ieder naober.

Voorts werd nu ook bepaald wie groevebidders zouden zijn. Hiertoe werden altijd twee ongehuwde meisjes genomen, die niet beneden de veertien, ook niet boven de veertig jaar oud mochten zijn. Daags voor de begrafenis ontvingen deze eene lijst, waarop de namen stonden der personen, die genoodigd moesten worden.

Hiermede zich dadelijk op weg begevende, deden zij beurt om beurt de noodiging, nagenoeg in dezer voege: ‘de erfgenamen van … laten jou zeggen, om morgen achter den doô te gaan'. Was men voornemens in het sterfhuis koffie in plaats van bier te schenken, dan voegden zij er nog bij: ‘ie moen 'n koppien en schotteltien in de buse steken’. Deze noodigsters werden, nadat zij hare taak volbracht hadden en des avonds in het sterfhuis waren teruggekomen, op gepelde garst met stroop en rozijnen benevens ham onthaald. Op den dag der begrafenis verschenen ten twaalf à een uur de genoodigden. Dadelijk werd hun bier of koffie aangeboden.

Inmiddels begaven zich vier van de naburen met spaden of schoppen naar het kerkhof en delfden het graf. Ten naaste bij hiermede gereed, trok men aan de klok, ten teeken dat de stoet zich in beweging kon stellen. Dadelijk begaven de naobers zich nu in de kamer waar het lijk was, en ontblootten de hoofden, met de woorden: ‘Jongens! het is tied!’. Terstond staan allen op. De naaste vrouwelijke bloedverwanten doen de schorten over het hoofd. Twee naobers lichten het deksel van de kist, opdat allen de trekken van den doode nog eens kunnen aanschouwen. Hierop treedt de naaste 'naober' toe en slaat twaalf spijkers in de kist. Dit is eene groote eer. Als dit verricht is, wordt de doodkist opgenomen en het lijk, met de voeten vooruit, gedragen naar den punter die het verder voeren zal. Vier van de naaste vrouwelijke bloedverwanten gaan, in het vaartuig gekomen, boven op de kist zitten, niettegenstaande het deksel, dat den doode dekt, opgeroefd. d.i. scherp is.

Aan den doodenakker gekomen, draagt men het lijk naar het graf, en legt het daarin met de voeten naar het oosten gekeerd. Zal er na de begrafenis nog eten gegeven worden, dan plaatsen zich twee naobers aan het kerkhof. Ieder der genoodigden weet dan, dat hij zich naar het sterfhuis te begeven heeft. Maar ach, wat ongeregeldheden zag men daarbij plaats hebben! Ieder haastte zich om weg te komen, ten einde aan de tafel, in het sterfhuis aangericht, de beste plaats te verkrijgen. En als men daar was, dan at menigeen als een uitgehongerde wolf. De doode was vergeten; de droeve plechtigheid was in eene slemppartij herschapen. Soms twistte en vocht men en menigmaal was proces-verbaal en inhechtenisneming het droevig besluit der Giethoornsche begrafenissen.

Zoo was het vroeger. Sedert is veel van dat alles gewijzigd en verbeterd. Eten en bier draagt men niet meer op. Men drinkt met elkander een kop koffie, en de predikanten der plaats houden tot de aanwezigen een korte en hartelijke toespraak. Ook het begraven in den punter behoort tegenwoordig tot de zeldzaamheden. Is zulks nog een enkele maal het geval, dan volgen in een tweeden punter de vrouwen, voor wie in den eersten geen plaats meer was."