Main Content

Dichter overleefde concentratiekamp Dachau Honderdste geboortedag Eduard Hoornik

  • 9 maart 2010
<p>Eduard Hoornik</p>
Zoom

Eduard Hoornik

Op 9 maart 1910 werd de dichter en schrijver Eduard (Ed.) Hoornik geboren. Zijn poëzie was sociaal bewogen, en hij was fel tegenstander van het nazisme. In 1943 werd Hoornik gedeporteerd naar concentratiekamp Dachau, waar hij vastzat tot de bevrijding in 1945. Zijn traumatische ervaringen klonken voorgoed terug in zijn gedichten.

Schrijver en journalist Eduard Hoornik maakte als dichter furore na zijn bundel Het Keerpunt (1936). In zijn poëzie toonde hij zich maatschappelijk betrokken. Al in de jaren dertig sprak hij zijn afschuw uit over jodenvervolging en over andere zaken in Nazi-Duitsland. Zo beschreef hij in 1939 in het gedicht Pogrom het gevaar dat de joden boven het hoofd hing. Vooral de laatste strofe gaat door merg en been:

De Jodenbreestraat is een diep ravijn.
Een korte schreeuw weerkaatst tussen de wanden.
- Het is maar tien sporen naar Berlijn.

(Eduard Hoornik, uit: Steenen, 1939)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog In 1941 werd de krant waar hij werkte, het Algemeen Handelsblad, door de Duitsers 'gelijkgeschakeld'. Hoornik werd verplaatst van de afdeling binnenland naar de kunstredactie. In 1942 nam hij ontslag. Later dat jaar zat Hoornik enkele maanden ondergedoken in Hoorn.

Op 19 augustus 1943 werd Hoornik door de Gestapo gearresteerd. Hij werd gevangen gezet in Vught en belande via Buchenwald in het concentratiekamp Dachau. Hier zat hij tot het eind van de Tweede Wereldoorlog vast. In april 1965, twintig jaar na de bevrijding van het kamp, vertelde Ed Hoornik in het NCRV-programma Literair Tijdschrift over zijn ervaringen in het Dachau. Op indrukwekkende wijze beschreef hij hoe hij de bevrijding meemaakte:

'Uit de wachttorens wordt geschoten, niet op het kamp maar op de langzaam van boom tot boom naderbij sluipende Amerikanen. Ze zijn op het rangeerterrein de goederenwagons al voorbij, gesloten wagons waaruit geen geluid meer komt. Vijf dagen geleden zijn hier tweeduizend joden ingedreven. Ze zouden geëvacueerd worden. Het is mislukt; alle tweeduizend zijn dood, gestikt.

De soldaten zijn nu ook het crematorium voorbij waar de lijken, omdat er geen kolen meer zijn, manshoog liggen opgestapeld. Uit de wachttoren die ik zien kan tuimelt een neergeschoten SS-er. Anderen lopen nu met de handen omhoog.

En dan ineens staat daar in de poort van het kamp de eerste Amerikaan. "Hello boys, here we are!" En dan begint het: het gejuich, het geschreeuw, het gebrul.

Aan stukken gescheurde portretten van Hitler en Himmler vliegen uit de ramen van de Kommandantur. Ik heb het gevoel alsof ik word opgetild. Ik brul, ik ben terug op de wereld.'

(NCRV Literair Tijdschrift, 21 april 1965)

Na de Tweede wereldoorlog kreeg zijn werk een sceptische en wat bittere ondertoon. De confrontatie met de dood ging zijn werk beheersen. Zijn belevenissen in het concentratiekamp zouden zijn werk voorgoed beïnvloeden. Over de immer aanhoudende herinneringen aan deze traumatische ervaring schreef hij in de bundel ‘Ex Tenebris III’ de veel geciteerde regel 'Ik weet zeker dat het geen verschil maakt, of ik Dachau of de wereld zeg'. Een ander gedicht in deze publicatie:

Banger word ik voor mijn eigen wezen:
Dachau schoof een raster voor mijn ziel.
Daarom schrik ik als ik zit te lezen;
daarom slaap ik in een nachtasiel.

Daarom houd ik, sluipend door de straten,
somtijds voor een vreemde huisdeur stil;
daarom ga ik wat ik liefheb haten,
en ik sla haar die ik strelen wil.

Mijn bestaan hier is een vreemd bestaan:
het is god-zijn en het zelf niet weten,
het is dier-zijn en zichzelf vergeten,
't is van de een in de ander overgaan.
Alle dingen moet ik dubbel maken
om het eigen doodsbeeld kwijt te raken.

(Ed. Hoornik, uit: Ex Tenebris, 1948)


Kijk naar

- De nabestaande (Dode Dichters Almanak)
- Tot de doden (Dode Dichters Almanak)
- Thuiskomst (Dode Dichters Almanak)