De schaatsers van Jeroen Bosch Een cultuurgeschiedenis van het schaatsen

- Zoom
- Omslag Schaatsenrijden (uitg. L.J. Veen)
Jeroen Bosch schilderde rond 1500 de eerste schaatsers op zijn monumentale werken "De tuin der lusten” en “De verzoeking van de Heilige Antonius". Vanaf dat moment, zo betoogt Marnix Koolhaas in zijn pas verschenen boek "Schaatsenrijden, een cultuurgeschiedenis" raakt het schaatsenrijden verankerd in de Nederlandse cultuur. Ard&Keessie en ook Sven Kramer of Ireen Wüst: allemaal zijn de schatplichtig aan Jeroen Bosch. Een voorpublicatie.
SCHAATSERS GAAN NAAR DE HEL
Je kunt er uren naar kijken en de verbazing wordt alleen maar groter. Wat wilde Jeroen Bosch uitbeelden toen hij rond 1500 de allereerste geschilderde schaatsers aan het doek toevertrouwde? De schaatsende postbode-vogel met de rare trechter op zijn hoofd en de brief in zijn bek. Of het naakte gebogen mannetje dat zich in balans probeert te houden op zijn reuzenschaats, maar recht op een wak afkoerst. En dan die andere vreemde vogel op schaatsen, met een gekartelde pijl en boog om zijn schouder. Wat bedoelde Jeroen Bosch met al die bizarre schaatsfiguren?
Er is geen schilder die bij hedendaagse kunsthistorici nog zoveel vragen oproept als Jeroen Bosch. De drieëntwintig aan hem toegeschreven schilderijen zijn zo veelzijdig, zo fascinerend en ook zo afwijkend van welke tijdgenoot dan ook, dat Jeroen Bosch alleen aan zichzelf getoetst lijkt te kunnen worden. Was hij een schizofrene gek? Een godsdienstwaanzinnige? Een artistiek genie? Het is allemaal gesuggereerd maar niemand die het zeker weet. Wat blijft is de al meer dan 500 jaar durende fascinatie voor de onvoorstelbare beeldtaal die Bosch weet op te roepen.
Het is gek dan Jeroen Bosch er in de schaatsgeschiedschrijving zo bekaaid van af komt. Terwijl Bosch toch echt de eerste echte schaatsschilder uit de “moderne” schilderkunst genoemd mag worden. De schaatsers die hij rond 1500 in zijn twee meesterwerken “De tuin der lusten” en “De verzoeking van de Heilige Antonius” schilderde, zijn de eerste in verf vastgelegde schaatsers. Ze stammen uit dezelfde tijd als de beroemde prent van de gevallen maagd Liduïna (ze viel in 1395, maar werd pas afgebeeld in 1497). Van vóór die tijd kennen we slechts een minuscuul tekeningetje in de kantlijn van een 13e eeuwse incunabel.
Gelukkig hoef je je als schaatshistoricus niet al te gedetailleerd bezig te houden met de vraag wat Bosch precies met zijn schaatsers bedoeld kan hebben. Toch valt er wel iets over te zeggen. Dat Bosch schaatsers heeft afgebeeld in zijn verbeelding van hel en verdoemenis (het rechter paneel van “De tuin der lusten”, volgens veel kunsthistorici zijn meest fascinerende werk), moet iets zeggen over de waardering van het ijsvermaak in zijn tijd. Het grote wak waar een schaatser in verdrinkt, duidt zonder twijfel of het aardse gevaar van het ijsvermaak. De directe link tussen schaatsen en de dood komt na Bosch in teksten en prenten veelvuldig voor.
De schaatsende postbode-vogel met de trechter op zijn hoofd is heel wat lastiger te duiden. Laurinda Dickson, die de schaatsvogel zelfs op de cover van haar in 2003 verschenen studie over het werk van Jeroen Bosch heeft afgebeeld, noemt het “één van meest aansprekende, maar ook problematische figuren die Bosch heeft gecreëerd.” Tja, wat moet je daar dan als leek nog aan toevoegen? Maar ook zonder eenduidige interpretatie blijft het fascinerend dat Bosch één van zijn meest aansprekende figuren uitgerekend op schaatsen heeft afgebeeld. Wat hij er ook precies mee bedoeld heeft: het zegt iets over de bijzondere fascinatie die Bosch voor het schaatsen gehad moet hebben.
Ondanks de ongebreidelde fantasie waarmee Bosch zijn schilderijen maakte, zijn veel van zijn details wel degelijk natuurgetrouw. Zo blijkt de vormgeving van de door Bosch afgebeelde schaatsen te kloppen met schaatsen die bij archeologische opgravingen gevonden zijn. Wat we uit die archeologische vondsten níet kunnen afleiden is de manier waarop schaatsen destijds aan de schoenen bevestigd werden. Bij Bosch kunnen we dat wel. Bij nauwkeurige bestudering zien we dat in alle schaatsen drie gaten zitten waar de schaatsriemen doorheen lopen. Via een ingewikkeld systeem van knoop- en vlechtwerk zitten de veters subtiel om de schoenen gebonden.
Er is nog een ander detail waaruit we iets over de manier van schaatsen in de tijd van Bosch kunnen afleiden. Op het ijs van zijn schaatsers die in de hel rond een wak rijden zien we krassen op het ijs. Die krassen maken overduidelijk dat er destijds al zijwaarts werd afgezet, en dat daar geen stokken bij werden gebruikt.
Vermoedelijk zijn veel schilderijen van Jeroen Bosch in de loop der eeuwen verloren gegaan. Een bewijs daarvoor is het bestaan van schilderijen die als een “kopie van Bosch” bekend staan, maar waarvan geen origineel bewaard is gebleven. Zo’n kopie van Pieter Huys, waarop een typisch “Boschiaans” schaatstafereel is afgebeeld, werd in 1928 in Brussel geveild. Het kwam in een onbekende particuliere collectie terecht en werd sindsdien nooit meer geëxposeerd. Gelukkig werd het afgebeeld in een veilingcatalogus, en beschikken we over een zwart-wit-afbeelding. We zien twee bizar uitgedoste schaatsers in een gevecht verwikkeld, onder toeziend oog van een mannetje in een prikslee die vermoedelijk is gemaakt van de onderkaak van walvis. Maar wat er precies mee bedoeld wordt?
(Marnix Koolhaas)