Uitgezonden op 5 januari 1956 Eerste televisie-journaal teruggevonden

- Zoom
- Journaal-leader eerste uitzending 5 januari 1956
In de archieven van Beeld en Geluid is het eerste tv-journaal van de NTS teruggevonden. Het betreft de uitzending van 5 januari 1956. De eerste uitzending kwam tevoorschijn bij het digitaliseren van alle oude Journaal-items uit de jaren vijftig en zestig. Dit gebeurde in het kader van het project 'Beelden voor de Toekomst'.
In het eerste NTS-Journaal is onder meer een verslag te zien vanuit het huis van schaakkampioen Max Euwe. Ook is er aandacht voor een Drie Koningen-optocht in Tilburg en stakende vissers in de haven van IJmuiden. De weerman spreekt van "weer met een onbestendig karakter" en tekent de zonnetjes, temperaturen en regenbuien op het bord, met een lippenstift.
Het eerste journaal van 5 januari 1956
Het NTS-Journaal werd de eerste anderhalf jaar zonder nieuwslezer uitgezonden. Op 3 oktober 1957 las Coen van Hoewijk voor het eerst een Journaal voor.
Over de geschiedenis van het Journaal schreef Ad van Liempt in 2005 het boek"Het journaal; achter de schermen van vijftig jaar televisiegeschiedenis" :
Hierin schrijft hij onder meer:
Toen op 5 januari 1956 het eerste NTS Journaal van start ging, was de formule geënt op die van het Polygoon-bioscoopjournaal, dat toen al decennia bestond.
Dat betekende: het programma bestond uit één lange film, met verschillende onderwerpen, die van elkaar gescheiden werden door een 'buffertje', in dit geval een zwart-wit molentje dat één slag ronddraaide. Er verscheen géén presentator in beeld, er was wel een stem te horen die commentaar gaf bij de beelden.
De selectie van de onderwerpen geschiedde vooral op basis van visualiteit: het was een filmjournaal, dus de nieuwswaarde van de beelden kwam op de tweede plaats. Overigens kende de top van de NTS in die dagen al het voorbeeld van Frankrijk waar al wel van een presentator gebruik werd gemaakt, die de filmonderwerpen aankondigde, het laatste nieuws in beeld voorlas en zelfs live interviews maakte.
Toch was het NTS Journaal niet geheel onpersoonlijk van aard in die beginjaren: vooral verslaggever Coen van Hoewijk verscheen in zijn eigen reportages vaak in beeld om zijn interviewpartner te introduceren en om iets persoonlijks aan zijn verslag toe te voegen.
Presentatie
Het duurde tot 1961 voor het Journaal een heuse presentator kreeg, die de kijkers welkom heette en een deel van het nieuws in beeld voorlas. Het waren wel steeds wisselende gezichten, de verslaggevers deden de presentatie op roosterbasis naast hun werk als reporter en als commentator bij de buitenlandse beelden.
De berichtgeving uit het buitenland overheerste sterk in de draaiboeken in toenemende mate kwamen er actuele beelden uit de Europese landen en wat oudere films uit andere werelddelen in Bussum binnen.
Lange tijd bestond het nieuws voor 75 procent uit buitenlandse berichten en voor 25 procent uit binnenlandse; op zichzelf niet zo vreemd voor een klein land met veel buitenland, maar de reden was toch vooral dat binnenlands nieuws veel meer menskracht en geld vereist en daar wenste de NTS-leiding niet in te investeren.
Achtergronden
Het NTS Journaal moest zich de eerste twintig jaar uitdrukkelijk beperken tot de hoofdlijnen van het nieuws. Het geven van achtergronden was de NTS niet toegestaan, dat terrein was voorbehouden aan de omroepverenigingen.
Omdat die de overhand hadden in het NTS-bestuur bleef deze situatie lang voortduren. De omroepverenigingen profileerden zichzelf vanaf 1963 steeds sterker via hun actualiteitenrubrieken: Brandpunt van de KRO, Achter het Nieuws van de VARA, Memo, en later Attentie, van de NCRV en AVRO's Televizier gingen de belangrijkste rollen vervullen in de televisiejournalistiek.
Ze hadden het geld om uitvoerige reportages in het buitenland te maken en besteedden ook ruim aandacht aan nieuwsontwikkelingen in eigen land. Het Journaal had weliswaar heel veel kijkers (tot 1967 konden de meeste Nederlanders maar één zender ontvangen), maar weinig armslag. Pas in het midden van de jaren zeventig kwam daar verandering in.
Duiding
Met de komst van Ed van Westerloo brak er in 1976 een nieuwe periode aan. Op de eerste plaats wilde hij dat het Journaal zich meer ging richten op nieuws dat echt van maatschappelijke betekenis was.
De voorkeur voor bij uitstek visueel nieuws verdween en maakte plaats voor meer politiek, economisch en sociaal nieuws. En verder kreeg hij gedaan dat het Journaal zich ook met achtergronden kon gaan bezighouden.
Al voor zijn komst was het pad voor die ontwikkeling geëffend door de Commissie Uitgangspunten die in 1974 vaststelde dat het Journaal de nieuwsfeiten mocht toelichten met andere en eerdere nieuwsfeiten, zodat de kijker beter zou gaan begrijpen wat het nieuws eigenlijk te betekenen had.
Van Westerloo maakte dat concreet door een buitenlandcommentator in te zetten. De van de KRO afkomstige buitenlandspecialist Henk Neuman legde geregeld in beeld uit hoe de laatste ontwikkelingen in en rond de machtigste landen ter wereld moesten worden begrepen.
Zijn rol werd gaandeweg overgenomen door een ander fenomeen dat Van Westerloo bij het Journaal tot bloei bracht: de buitenlandse correspondent. In korte tijd had de NOS in de belangrijkste hoofdsteden ter wereld een eigen man of vrouw om het nieuws te brengen of van toelichting (in het jargon: duiding) te voorzien. 'Eigen' is niet het goede woord: de meeste correspondenten deelde de NOS met kranten of dagbladcombinaties.
Tenslotte ging de NOS ook meer achtergronden brengen bij de Haagse politiek. Daartoe werd een Haagse presentator ingezet die de politieke berichtgeving in beeld toelichtte: hij moest daarbij uiteraard strikt neutraal blijven, want partij trekken heeft de NOS nooit gemogen.
Meer live
Als in 1984 het halfzes-Journaal van start gaat, met Maartje van Weegen als vaste, dagelijkse presentator, introduceert zij een verschijnsel dat tot dan toe slechts zelden voorkwam: het live interview in het journaal.
Elke dag had zij zo'n rechtstreeks gesprek: hetzij met een gast die naast haar zat, hetzij met iemand die dankzij een lijnverbinding direct zijn of haar commentaar kon geven op nieuwsgebeurtenissen. Vaak was dat ook een correspondent of een verslaggever die op de plek van het nieuws stond.
Langzamerhand kwam die rechtstreekse bijdrage ook in het Achtuur-Journaal terecht. Vanaf 1988 gebeurde dat vrijwel elke dag. Dankzij de techniek werd het mogelijk om rechtstreeks te schakelen naar alle grote nieuwsgebeurtenissen. Het 'kruisgesprek' (crosstalk) is sindsdien niet meer uit het Journaal weg te denken, en dat geldt eigenlijk voor de journaals in alle landen in de hele wereld.
Het Journaal zette in 1994 twee verslaggevers in (Maria Henneman en Gerard Arninkhof) die tot taak hadden rechtstreeks verslag te doen uit binnen- en buitenland en daarbij ook het binnenlandse nieuws van achtergronden te voorzien.
Na een jaar of drie kwamen veel meer verslaggevers voor die functie in aanmerking: het nieuws ging steeds sneller de wereld rond, en er kwam steeds meer behoefte aan toelichting en duiding.
Meer bulletins
Het Achtuur-Journaal is al vijftig jaar lang het belangrijkste en meest bekeken nieuwsprogramma van de NTS/NOS, maar in de jaren negentig kwamen er wel steeds meer bulletins per dag bij.
Vanaf 1993 ging het Journaal ook 's ochtends nieuws brengen en tien jaar later was de situatie gerealiseerd waarin er elk uur een nieuw Journaal te zien was.
Op internet kreeg de NOS zelfs een 24uurskanaal waarop het laatste nieuws voortdurend wordt ververst en aangepast. Daarmee is het verschil met vijftig jaar eerder wel extreem geworden: toen waren er drie nieuwsuitzendingen per week: nu is er geen uur meer zonder nieuw nieuws.