Pas op voor een jet-lag Zomertijd, wintertijd: de tijd is van alle tijden
Dit weekend gaan we over naar de wintertijd. Eigenlijk is de wintertijd de 'gewone' tijd en zo genoemd als tegenhanger van de zomertijd.
Tot aan het begin van de 20e eeuw had vrijwel elke plaats zijn eigen tijd, omdat voor de tijdbepaling werd uitgegaan van de hoogste stand van de zon. Omdat de zon in het oosten opkomt en in het westen ondergaat werd de hoogste zonnestand in het oosten van Nederland een kwartier eerder bereikt dan in het westen.
In Nederland is het onderscheid tussen zomer- en wintertijd in 1977 opnieuw ingevoerd; ook van 1916 tot 1945 was de zomertijd van kracht.
IIn Nederland maakte de komst van spoorwegen de invoering van een landelijke standaardtijd noodzakelijk. Van 1909 tot 1940 kende Nederland daarom de "Amsterdamse tijd", die 20 minuten voorliep op de Europese tijd.
Overgang naar de huidige Midden-Europese Tijd vond plaats op 16 mei 1940: op bevel van de Duitse bezetters werd de klok toen één uur en 40 minuten vooruit gezet. Die zomertijd gold ook gedurende de winters van 1941 en 1942. Pas in november 1942 werd de klok weer één uur teruggezet. In de jaren 1943-1945 gold alleen 's zomers de zomertijd, maar in 1946 werd de zomertijd voor een periode van ruim dertig jaar geheel afgeschaft.
Jet-lag
Door de overgang naar de zomertijd kan de biologische klok behoorlijk van slag raken. Dat schreven onderzoekers in 2007 in ‘Current Biology’. Onder hen was Martha Merrow, hoogleraar moleculaire en genetische chronobiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen: "Mensen denken vaak dat het niet zoveel uit maakt; overgaan van zomer- op wintertijd is als een reisje naar Engeland. Maar toch kan vooral de terugreis zorgen voor een jetlag van enkele weken.”
En dat is niet wat eerdere studies rond zomer- en wintertijd aantoonden. Volgens die hadden mensen meestal slechts enkele dagen nodig zich aan te passen aan de nieuwe klok.
Maar die onderzoeken waren allemaal kleinschaliger dan die van Merrow en collega’s. Eerst doken zij in hun door de jaren heen gevulde database, met slaap- en waakgegevens van pakweg 55.000 mensen. Merrow: “Wat opviel, was dat de biologische klok in de wintertijd synchroon liep met de dageraad. Mensen werden altijd een bepaald aantal uren na zonsopkomst wakker. Maar zodra de zomertijd inging, raakte dat patroon verstoord. Nu is het ook niet vol te houden om in de zomer altijd vlak na zonsopkomst wakker te worden. Dan zou je altijd rond vieren op zijn en dus aan het einde van de zomer uitgeput. Maar de omslag was zo abrupt en alom aanwezig, dat we die wilden onderzoeken.”
Aldus hielden vijftig proefpersonen een slaaplogboek bij en kregen een speciaal polshorloge; vier weken voor en na het ingaan van de wintertijd in 2006 en vier weken voor en na het ingaan van de zomertijd in 2007. Het horloge was geen horloge, maar een apparaatje dat de activiteit van de mensen mat. Oftewel wanneer ze sliepen en wanneer ze op hun wakkerst waren.
Wat de onderzoekers tevens hadden gedaan, was van tevoren vaststellen tot welk ‘chronotype’ iedereen behoorde; waren ze ochtendmensen of nachtbrakers. Want dat zou ook nog uit kunnen maken.
Met de overgang van zomer- naar wintertijd had niemand echt problemen. Binnen een week had iedereen z’n dag- en nachtindeling aangepast aan de nieuwe ‘tijdzone’. Maar de overgang van van winter- naar zomertijd was wel een lastige. Vooral voor de opblijvers. Zij slaagden er maar niet in hun ritme aan te passen.
Dat kan een chronisch slaaptekort betekenen, maar leidt mogelijk ook tot andere problemen, speculeert Merrow. “Mensen zijn seizoensdieren, ze stemmen hun gedrag af op het jaargetijde. En met zoiets als een zomertijd verstoor je het natuurlijke ritme van de seizoenen. De biologische klok raakt van slag. Een gevolg zou kunnen zijn dat mensen neerslachtig worden. Of in meer algemene termen: minder ‘fit’. Kort gezegd: als het gaat om het welbevinden van de ‘soort’ mens, dan zijn een zomer- en wintertijd niet ideaal.”
Dat klinkt allemaal nogal vaag natuurlijk – en om die reden gaan Martha Merrow en de andere Groningse chronobiologen natuurlijk gewoon verder met dit soort onderzoek. In de tussentijd zitten wij nog mooi opgescheept met die zomer- en wintertijd – komend weekend gaan we weer over naar de laatste. Dus nog tips, professor Merrow? “Tja, dan zeg ik maar wat mijn moeder altijd zei: luister naar je lichaam. Als je moe bent, ga naar bed en als je het gevoel hebt dat je eigenlijk nog een paar uurtjes langer moet slapen, doe dat dan. En zorg dat je veel daglicht krijgt, dat helpt om je eigen, interne klok goed te zetten. Meer kan ik er voorlopig ook niet van maken.”
