Fanny Blankers-Koen en Juliana worden koningin Het jaaroverzicht van 1948

- Zoom
- Koningin Juliana leest voor de eerste maal de troonrede voor (1948)
Aan het einde van het jaar 1948 was Nederland twee koninginnen rijker. In Amsterdam werd Juliana de nieuwe vorstin van Nederland en in Londen werd Fanny Blankers-Koen gekroond tot koningin van de Olympische Spelen. Toch was niet iedereen blij.
Op 31 december 1948 publiceerde het Limburgsch Dagblad een artikel over het jaar, dat die dag zou worden afgesloten. Hierin werd een aantal Nederlanders gevraagd wat zij het meest opmerkelijk hadden gevonden van de afgelopen twaalf maanden. En of zij hoop hadden voor het volgende jaar.
De redactie formuleerde vier vragen:
- Wat is uw opinie over 1948?
- Wat verwacht u van 1949?
- Wat had u in ’48 graag anders gezien?
- Wat acht u het belangrijkste feit van het afgelopen jaar?
De Amsterdamse burgemeester d' Ailly toonde zijn optimisme, vooral omdat zijn stad bol had gestaan van de festiviteiten rond Juliana en Fanny. Hierover zei hij: “Ik meen dat in '48 voor ons land het accent gezien moet worden in de bewonderenswaardige eenheid, die we allen hebben gevoeld en ondergaan, in de feestdagen rond de troonwisseling, een besef dat voor velen een openbaring is geweest.”
Na zo’n feestelijk jaar moesten we alleen niet de huidige problemen vergeten, zowel in eigen huis als aan de andere kant van de wereld. De burgemeester had daarom enkele duidelijke wensen: “De oplossing van het woningprobleem. Ik kan zeggen dat ik gunstige verwachtingen heb over de oplossing van dat probleem, dat voor alle steden, dorpen en gehuchten in ons land bestaat. Dan verwacht ik harmonie in Indonesië."
Nog eenmaal terugkijkend op het laatste jaar vatte hij zijn eerste twee antwoorden samen: “Wat ik graag anders had gezien in 1948? Dan kom ik weer op dat woningprobleem. Dat zou ik harder aangepakt willen zien, of liever, sneller.” En wat was het leukste, mijnheer? “Nogmaals, voor mij zal onvergetelijk blijven — en dat begrijpt u toch — de inhuldiging van onze nieuwe koningin."
Ook dichteres Mies Bouhuys, toen 21 jaar oud, kwam aan het woord. De verslaggever sprak haar ‘in een Amsterdams kunstkeldertje bij 'n klein kacheltje.’ Zij was aanzienlijk minder positief dan D’Ailly: “Wat ik van 1948 vind? Ik vond de mensen nog veel beroerder dan ik ze vlak na en ook tijdens de oorlog vond.” En voor de directe toekomst zag ze geen verandering: „1949 zie ik als nog minder gunstig dan 1948. Geestelijk, wel te verstaan, niet materieel.”
En zo bewogen de mensen van 1948 zich tussen vreugde en verdriet, of, zoals Polygoon het in zijn jaaroverzicht van 1948 zei, ‘tussen juichen en bezinnen’. Net als nu eigenlijk, want zo zijn de mensen nu eenmaal.