Main Content

OVT Spoor Terug in de maand mei De Onderduik

  • 28 april 2011
  • Michal Citroen

Zo’n 25.000 Joden doken onder in de Tweede Wereldoorlog. Het was nogal een stap. Wanneer moeten we onderduiken, waar en bij wie? Gaan we met z’n allen of regelen we alleen een adres voor de kinderen? Het woord ‘adres’ kreeg een magische betekenis. In de maand mei in OVT in de rubriek het Spoor terug verhalen van joden die tussen 1942 en 1945 ondergedoken hebben gezeten.

De exacte aantallen zijn niet bekend, maar naar schatting 16 tot 25 duizend joden hebben geprobeerd tijdens de Duitse bezetting in Nederland te overleven door onder te duiken. Meer dan acht duizend zijn opgepakt, verraden en alsnog gedeporteerd. Onderduiken of deportatie, illegaliteit of transport: het is een onmogelijke beslissing geweest tussen twee onbekende kwaden.
Hoe kwam dat besluit tot stand; waar, wanneer en hoe de joden moesten onderduiken en vooral wie bereid was ze daarbij te helpen, zijn onderwerpen die aan bod komen gedurende de vierdelige serie van Michal Citroen met daarin nieuwe en oude gesprekken met overlevenden en deskundigen, aangevuld met citaten uit brieven, dagboeken en autobiografieën.

Dagdromen

In 1943 zit een joodse jongen van twaalf verborgen op het platteland van Limburg. Zijn onderduik adres op de boerderij is onveilig geworden en hij moet daar opeens weg en snel. Een ander adres is er niet. Nog niet in ieder geval. De boer stuurt hem naar een hutje ergens op het land. ‘Voor 1 nacht en dan komt iemand je wel halen’. De jongen zit uiteindelijk een maand alleen in dat hutje. De enige lichtpuntjes die hij zich herinnert zijn de momenten dat de boerendochter stiekem af en toe wat eten en drinken komt brengen. ‘s Nachts vindt hij het moeilijk om niet te vluchten en is hij vooral bang. “Ik probeerde mezelf moed in te spreken. Dat lukte vooral als ik dagdroomde over het einde van de oorlog. Dan stelde ik me voor dat ik terug was in Amsterdam en dat mijn ouders en broer natuurlijk dolblij waren dat ze me hadden gevonden. Het mooiste van de fantasie was dat alle joodse kinderen dan in optocht marcheerden door de met vlaggen versierde straten van Amsterdam met de fanfare voorop en de hele bevolking juichend langs de kant.”

Persoonlijke herinneringen

Zijn ouders en broer zijn in 1943 al vermoord en de fanfares rukken nergens uit bij de terugkeer van het schamele restant joden na 1945. Ook niet voor de jonge John Blom. Hij is een van de onderduikers die zijn geschiedenis wil vertellen voor OVT. Ook andere joodse onderduikers is gevraagd hun verhaal nog een keer te vertellen. Maar intussen is de oorlog 66 jaar geleden afgelopen. Alleen diegenen die als kind of als tiener de onderduik meemaakten zijn nu nog in leven. Er zijn programma’s gemaakt over individuele verhalen of specifieke gebeurtenissen, maar een brede radio documentaireserie waarin de verscheiden aspecten van de joodse onderduik bijeen worden gebracht onbrak gek genoeg nog. Met persoonlijke herinneringen, aangevuld met eerder gemaakte gesprekken, citaten uit dagboeken en brieven van de oudere generatie, gaat OVT een vierdelige serie uitzenden gedurende de maand mei om de geschiedenis van de joodse onderduik invoelbaar maken. Wat betekende onderduiken voor een doorsnee gezin? Of voor diegenen die onderduik boden. Stel jezelf eens die vraag hoe je dat zou aanpakken? Want onderduikers waren niet wezenlijk anders. Geen helden, geen lafaards, geen opstandelingen of avonturiers, maar gewone brave of minder brave, dappere of voorzichtige Nederlanders. Die wel in de onmogelijke positie waren gedwongen onzichtbaar en uiterst kwetsbaar te moeten overleven op eigen bodem. Illegaal en totaal afhankelijk, niet met de vrees van uitzetting, maar met het risico van de zekere dood in geval van verraad of ontdekking. En niet alleen hun eigen dood, maar ook die van hun beschermers. John Blom heeft lang gezwegen, maar de laatste jaren wil hij graag uitleggen hoe die periode hem heeft gevormd. Waarom hij als volwassen man zo moeilijk was voor zijn omgeving. Hij is de jongste zoon van een Amsterdamse banketbakker. Begrijpen doet hij het niet, maar hij voelt de beklemming toenemen gedurende de eerste jaren van de bezetting. De drukke zaak van zijn vader sterft langzaam uit door de anti-joodse maatregelen. Zijn oudere broer slaapt niet meer thuis omdat hij bang is ’s nacht te worden opgehaald en zijn depressieve moeder gaat geestelijk aan de spanning kapot. Ze wordt opgenomen in het Apeldoornsche Bos, de joodse psychiatrische inrichting. En ook zijn vader verliest alle moed wanneer ze tijdens de laatste weken met z’n tweeën thuis zitten te wachten. Eenmaal in de Hollandsche Schouwburg krijgt hij van zijn vader opeens de opdracht te vluchten. ‘Je ster pulken we eraf en straks, wanneer je in de rij met de andere kinderen de straat oversteekt naar de crèche komt er een moment. Dan draai je je om en loopt gewoon weg’. Hij kust zijn vader gedag. ‘Tot morgen pap’ en vervolgens doet hij precies wat hem is opgedragen.

Willekeur en onwetendheid

Net als John Blom beschrijft Bloeme Evers nauwkeurig de gebeurtenissen vanaf de dag dat ze wordt opgeroepen. Ze heeft haar eigen verhaal vaak verteld en vervolgens naar dat van anderen gevraagd voor een uitgebreid onderzoek naar de ervaringen van onderduikers en de families die onderduik boden. ‘Niets was meer zeker want leven of dood werd door de meest futiele dingen bepaald. De controle is vanaf het moment dat je onderduikt volledig kwijt. Door de enerzijds de volstrekte willekeur die maakte of je gepakt werd of niet en anderzijds de volledige afhankelijkheid van anderen.” Ook zij krijgt de opdracht van haar ouders onder te duiken, terwijl die zelf die keuze niet maken. ‘Ik begrijp het nog niet waarom alleen ik. Behalve dan dat mijn vader bang was om een ‘strafgeval’ te zijn. Dat leek hem nog veel erger en dus bleven hij, mijn moeder en mijn zusje thuis tot ze opgeroepen werden.’ De Joodsche Raad van Amsterdam speelde hierin een grote rol. Het is al vaak beschreven. Voorzitters Asscher en Cohen krijgen in juni 1942 de opdracht de oproepen te organiseren van, in eerste instantie, iedereen tussen de zestien en veertig jaar. Later ook ouderen en kinderen. Door de drang alles kalm, rustig en geordend te laten verlopen, precies zoals de Duitsers dat verlangen, wordt onderduiken door de Joodse Raad afgekeurd. Werken in het Oosten wordt voorgespiegeld. Het zal hard werken zijn, maar daar is nog niemand van gestorven, aldus een goed Nederlands gezegde. Dat denkt ook de vader van Ab Krooneburg die voor het hele gezin gevoerde laarzen koopt om goed uitgerust in het werkkamp aan te komen. Onwetendheid moet beslissen voor enerzijds het verre onbekende Polen of anderzijds het illegale bestaan. Bijna 107 duizend Nederlandse joden worden gedeporteerd. Volgens Loe de Jong zijn ongeveer 25 duizend mensen ondergedoken van wie zo’n 8 duizend zijn verraden of ontdekt. Velen stellen de keus uit tot het te laat is. Of die aantallen kloppen wordt betwijfeld door historicus Bert Jan Flim die voor het NIOD een groot onderzoek deed naar de georganiseerde hulp aan joodse kinderen in Nederland. “ Loe verwerkte deze aantallen in een voetnoot omdat hij wist dat het niet meer is dan een schatting. Precies zullen we het nooit weten want het valt op geen enkele manier te achterhalen.”

Geld en Durf

Op 15 juli 1942 vertrekt het eerste transport naar Westerbork met als eindbestemming Auschwitz. Het vertrouwen ligt in het systeem want zo ging dat ook voor de oorlog. En autoriteiten worden in Nederland niet genegeerd. En het is ook nogal een stap, onderduiken. Wat doen we? Wanneer moeteen we dan onderduiken, waar en bij wie? Gaan we dan met z’n allen of regelen we alleen een adres voor de kinderen? Een adres: het woord krijgt een totaal andere ‘magische betekenis’ volgens Bloeme Evers. Het liefst blijven we bij elkaar. Maar kan je als ouder nog wel veiligheid bieden aan je kind? En hoe kan je een kind afstaan aan vreemden, zonder te weten wat hun zal overkomen? Die gesprekken hebben velen ongetwijfeld gehad. De een durft wel de ander niet. En durf alleen is niet genoeg. Hoe moet je het betalen? Er is geen geld meer want dat hebben de Duitsers vakkundig geplunderd en geroofd. En zonder geld wordt het erg moeilijk want verstoppen en tegelijk de kost verdienen spoort niet. De 95-jarige mevrouw Groothuis en haar man zijn in 1943 uitzonderingen. ‘Duitse joden hadden mijn man gewaarschuwd. Hij verdiende toen erg veel geld en ze raadden hem aan alles om te zetten in juwelen. Met die juwelen konden we op veel plekken terecht. Ik verbleef een tijd in Utrecht bij onze werkster. Mijn man betaalde genoeg zodat zij ergens op de grond sliep en ik in haar slaapkamer.’ Dan blijft verraad nog een doorslaggevend probleem. Een verkeerde inschatting van goed of fout is leven of dood. Joden kunnen niet helpen want die zijn zelf mikpunt. Van niet-joden is het onzeker wat je kan vragen. En als je iets vraagt wat voor risico’s heeft dat voor jezelf en voor hun. Uitstel van deportatie in de vorm van een Sperre, een stempel in het persoonsbewijs, geeft tijd. Hoelang is onduidelijk, bis auf weiteres, staat erbij vermeld. Tegelijk zie je dat anderen worden opgepakt, ook ouderen en kinderen. Als ze zich niet melden worden ze midden in de nacht weggehaald. In lange rijen met koffers in de hand verdwijnen ze.

Individuen of het Collectief

Voor Bloeme Evers zijn het vrienden van haar ouders die illegaal werk doen en die zijn te vertrouwen. John Blom loopt van de Hollandsche Schouwburg naar de niet-joodse knecht van de banketbakkerij. Die brengt hem naar een vage kennis die joodse kinderen laat onderduiken. Iedereen die tot dan toe heeft ingeschat dat het wel mee zal vallen, wordt wakker geschud op 14 juli 1942. Joden melden zich niet snel genoeg en op die dag vindt de eerste razzia plaats. Dat zien ook een aantal mensen die de verzetsgroepen vormen die vervolgens besluiten zoveel mogelijk joodse kinderen te redden en onder te laten duiken buiten Amsterdam. De blonde kinderen in Friesland en de donkere kinderen in Limburg. Volgens Bert Jan Flim moeten we de onderduik niet alleen bekijken vanuit het individuele perspectief. ‘Het collectief speelt een grote rol. Er werd heel lang niets georganiseerd en toen de illegale groepen aan het werk gingen was het vaak te laat. Eind 1943 was er een georganiseerd netwerk, maar toen waren zeer velen al vermoord en het restant kregen ze niet meer weg uit Amsterdam.’ Dat het wellicht elders ook beter had gekund bewijst het verhaal van de Enschede.
In het geval van Johan Sanders is het zijn daadkrachtige vader die het gezin weet te redden. In tegenstelling tot de Joodsche Raad in Amsterdam stellen de leden van de Joodse raad in Enschede onder wie secretaris Gerard Sanders zich heel anders op. De joden in Enschede krijgen het dringende advies onder te duiken. Mede dankzij de enorme inspanningen van de gereformeerde dominee Leendert Overduin worden tussen de 700 en 800 van de ongeveer 1300 Enschedese joden gered. Ook moeder, zusjes en zoon Sanders worden op 10 april 1943 een voor een naar veilige adressen gebracht. Vader Gerard Sanders gaat als laatste en zo zal blijken te laat. Op weg naar zijn onderduikadres wordt hij opgepakt waarschijnlijk door verraad. De vader van Joop Levy wacht ook niet af. Als veehandelaar in de Achterhoek heeft hij een heel netwerk van vrienden op het platteland en de familie is op meerdere plekken welkom. ‘Ik had het geluk dat we bij elkaar konden blijven’. Met het gezin waar ze onderdoken is nog steeds innig en dankbaar contact. ‘Geld wilden ze er niet voor hebben, na de oorlog. Het was meer dan genoeg voor ze dat we het allemaal samen hadden overleefd.’ Joop Levy is vandaag de dag voorzitter van de vrienden van Yad Vashem. Hij voelt zich enorm vereerd wanneer hij een toespraak mag houden tijdens de ceremonie waarin de niet-joodse ‘rechtvaardigen onder de volkeren’ de allerhoogste onderscheiding krijgen van de staat Israel voor het redden van joden. Tot op de dag van vandaag wordt, weliswaar postuum, die onderscheiding uitgereikt.

Michal Citroen
(programmamaakster van de 4-delige serie)

Radio 1: Zondag 1, 8, 15 en 22 mei 2011, 11.25

(Historisch Nieuwsblad, mei 2011)
 

Boektitel

'Alsof het ons eigen kind was. Een terugblik op de redding van meer dan honderd joodse kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog, georganiseerd vanuit het Noord-Limburgse dorp Tienray'- Fred Roodenburg, isbn 978-90-811733-2-2