Main Content

Horizonvervuiling of niet? Historische filmbeelden van de Nederlandse molen

  • 28 juli 2011
<p>Still uit "Wentelende wieken" (Otto van Nijenhoff, 1960)</p>
Zoom

Still uit "Wentelende wieken" (Otto van Nijenhoff, 1960)

Molens zijn tegenwoordig een icoon van het Nederlandse landschap. In de tijd van Rembrandt was dat nog heel anders, want deze schilder negeerde ze vaak omdat ze het uitzicht en de compositie bedierven... Op deze pagina kunt u de geschiedenis van de Hollandse molen bekijken - inclusief de klassieke molenfilm "Wentelende wieken" van Otto van Nijenhoff uit 1960. In kleur!

Geschiedenis van de molen

<p>Leiden: DeBlauwpoortsbrug met molen De Valk in 1921</p>
Zoom

Leiden: DeBlauwpoortsbrug met molen De Valk in 1921

Watermolens raakten verspreid over Europa aan het einde van het Romeinse Rijk. Er werd gebruik gemaakt van stromend water met voldoende verval voor de aandrijving, maar er werd ook gebruik gemaakt van stromend water met onvoldoende verval. Bij dit laatste werden scheepmolens gebruikt die in de rivier of voor de kust (getijdestromingen) verankerd lagen. Op plaatsen waar het verval of de stroming niet voldoende was om een waterrad aan te drijven moest een andere oplossing gezocht worden. Het is dan ook in deze streek waar de eerste windmolens verrezen.

Een hardnekkig gerucht is dat de windmolen is meegenomen met de kruistochten. Hier is echter geen bewijs voor te vinden. Er staan nog steeds windmolens in het oude Perzië, maar dit lag ver buiten de route van de kruistochten. Bovendien zijn deze molens van een heel ander type dan wij in Europa kennen. Lang is men ervan uitgegaan dat het eerste windmolentype in Europa de standerdmolen is geweest. Maar dit type molen is zo ingenieus geconstrueerd dat het er onmogelijk zo maar opeens geweest kan zijn. Het is daarom aannemelijk dat de standerdmolen door een ontwikkelingsfase is gegaan die enige honderden jaren geduurd heeft.

De eerste windmolens verschenen rond het het jaar 1000 in Noordwest-Frankrijk, Vlaanderen en Zuid-Engeland. Feitelijk waren dit watermolens geplaatst op een centrale paal waarbij het rad vervangen was door wieken. De laatste exemplaren van de "inverted mill" zijn waarschijnlijk rond 1930 verloren gegaan en hebben nagenoeg geen sporen achtergelaten. Op een oude foto gemaakt in Rusland is een groepje van deze molens te zien waarvan de meest rechtse de originele vorm is. Het is duidelijk te zien dat de as horizontaal ligt en vrij laag in de kast ligt. Dit betekent dus dat de maalstenen -net als bij een watermolen- van onderen aangedreven werden.

Moulin Chandelier

Bij de verdere ontwikkeling van dit type heeft men de as hoger geplaatst en de houten onderbouw vervangen door een stenen toren. Van dit type molen, genaamd moulin chandelier, is er slechts één bewaard gebleven, samen met tientallen stenen ondertorens die zijn gedateerd van rond het jaar 1000.

Standerdmolen

De standerdmolen kan worden gezien als een moulin chandelier waarvan de onderbouw vervangen is door een houten staak die is geschoord met steekbanden die op hun beurt weer rusten op de horizontale kruisplaten. Deze kruisplaten werden vroeger vaak in de grond ingegraven voor stevigheid, pas later is men ze op stenen blokken -teerlingen- gaan plaatsen. Deze ondergrondse kruisplaten worden in zowel Engeland als Bretagne gevonden en dateren van rond 1100. Meer over dit type in de subsectie standerdmolen.

Torenmolen

De torenmolen hoeft niet per se een jonger type te zijn dan de standerdmolen. Bekend is dat er in Dover in 1280 een stenen molen stond. De torenmolen heeft de standerdmolen nooit echt kunnen verslaan in populariteit omdat deze duur was om te bouwen, moeilijker was in gebruik en slechts een koppel stenen kon aandrijven. Dit laatste nadeel werd in de 16e eeuw ongedaan gemaakt met de uitvinding van de koningsspil. Een interessante zijsprong is de molen in Templeuve. Van buiten lijkt dit een torenmolen, maar het hele binnenwerk rust op een centrale paal en draait mee bij het kruien van de molen.

Houten achtkant

Omstreeks 1400 werd de kruibare kap ontwikkeld, die het eerst toegepast werd op torenmolens. Hierdoor werd het mogelijk om conisch gemetselde, achtkante molens te bouwen, eerst in steen en later ook in hout. In het begin van de zestiende eeuw ontstond in Noord- en Zuid-Holland de houten achtkant. Dit type molen verdrong in Noord-Holland de standerdmolen en de wipmolen, maar in Zuid-Holland alleen de standerdmolen. Rond 1750 werden in heel Nederland achtkante molens gebouwd.

In Nederland

De oudst bekende windmolenvermeldingen in Nederland dateren van ca. 1180. De oudste schriftelijke vermelding van een windmolen voor de waterbeheersing dateert uit 1407 en betreft een molen nabij Alkmaar. Het aantal groeide in de loop der jaren totdat omstreeks 1880 door de komst van de stoomtractie het maximum-aantal werd bereikt.

Met de komst van de dieselmotor werden molens ook uitgerust met een motor, zodat er onder alle omstandigheden gemalen kon worden, zoals bij de Venemansmolen. Ook werden er maalinrichtingen gebouwd, die alleen nog maar door een dieselmotor werden aangedreven, zoals de in 1926 gebouwde Maalderij De Nieuwe molen in Sinderen. Daarnaast werden er in de jaren dertig van de twintigste eeuw wiekverbeteringen aangebracht, zoals de fokwiek en de van Busselneus. Desondanks kon de windmolen de concurrentie met elektrisch aangedreven maalderijen niet aan en verdwenen veel molens. In de 19e eeuw waren er in Nederland ongeveer 10.000 windmolens, waarvan er 600 in de Zaanstreek stonden. In de molendatabase zijn nu nog 1191 Nederlandse en 1331 Belgische windmolens opgenomen.