Main Content

Verschijnsel in 1933 voor het eerst waargenomen Medische encyclopedie weet niet wat elfstedenkoorts is

  • 7 februari 2012
  • Jurryt van de Vooren
Zoom

Eind 1933 schreef een Friese krant over een nieuwe ziekte: ‘hevige elfstedenkoorts’. Het verschijnsel keerde sindsdien met grote regelmaat terug – ook buiten Friesland. Een historische diagnose.

In zijn boek De Elfstedentocht uit 1963 beschreef Piet Maaskant wat elfstedenkoorts is: ‘Zodra er maar drie dagen ijs in de sloten ligt, hunkeren alle rechtgeaarde liefhebbers van grote tochten op het winterse marmer naar de Elfstedentocht. Ieder van hen geraakt onder de betovering van deze merkwaardig aanstekelijke bacil.

Toch zult u in geen woordenboek of medische encyclopedie een omschrijving vinden van deze aandoening, die alle lagen van onze bevolking aantast. De symptonen: een onstuimige polsslag, het zgn. ijsberen in de kamer, het rusteloos raadplegen van weerglas, buitenthermometer en windvaan, en een opgewonden bespreken van alle factten van een op handen zijnde Elfstedentocht.

Maar - komt eenmaal de mare uit de stad van de oude Oldehove: 'de baan is dóór!', dàn glinsteren dankbaar de ogen, dan springt men over stoelen en tafels en wrijft men zich overgelukkig in de handen. Er breken dan nog spannende dagen aan, want het uitschrijven van een Elfstedentocht is een zeer riskante geschiedenis. Vaak dreigt een fel intredende dooi op het laatste nippertje roet in het eten te gooien.´

Eerste waarneming

Deze diagnose stellen we in 2012 opnieuw met drie dagen ijs in de sloot, opgewonden besprekingen en de angst voor dooi als terugkerende kenmerken. Medische handboeken kennen deze ziekte echter niet, die toch al op 27 december 1933 voor de eerste keer werd waargenomen door een journalist. Op die dag schreef het Leeuwarder Nieuwsblad namelijk:

‘In de Friesche hoofdstad, Leeuwarden, begin- en eindpunt van de tocht, heerscht een even korte als hevige elfstedenkoorts. Geen wonder. Want er wordt geen sport zoo algemeen beoefend in ons land als het schaatsenrijden en als men eenmaal in Friesland heeft zien rijden, zou men geneigd zijn te veronderstellen, dat de Friezen op schaatsen geboren worden.’

Dat deze koorts in 1933 voor de eerste keer werd waargenomen, is niet geheel toevallig, omdat juist in die periode de belangstelling buiten Friesland snel groter werd. Het aantal toerrijders bijvoorbeeld was in 1929 en 1933 nog niet hoog met respectievelijk 206 en 339, maar dat veranderde daarna spectaculair.

In 1940 stonden er 2.746 toerrijders aan de start, waarvan er overigens maar 27 de finish haalden. Ondanks de oorlog bleef deze belangstelling groot: 1.900 rijders in 1941 en 3.862 in 1942. Vanaf die tijd is de elfstedenkoorts een hardnekkig verschijnsel, die vooral samenhangt met de gekte buiten Friesland - en dan met name onder journalistieke medewerkers uit de Randstad.

Heel soms kan de elfstedenkoorts na afloop van een Elfstedentocht nog hard toeslaan. Franeker bijvoorbeeld bereikte een dag na de tocht van 1942 een kookpunt, aldus het Nieuwsblad van het Noorden: ‘Het oude academiestadje Franeker, in gewone omstandigheden een rustig plaatsje, is in bijzondere mate door de „Elfstedenkoorts" bevangen geweest, gezien het feit, dat twee harer ingezetenen, Auke Adema en diens neef A. A. de Vries, respectievelijk als eerste en vierde de eindstreep hebben bereikt.’

Aldus de krant, die ons hiermee toont dat elfstedenkoorts ook kan heersen in oorlogstijd. Deze bacil trekt zich van niets en niemand iets aan – warmte uitgezonderd.