Main Content

Andere Tijden - Met ons alles goed Filmen onder de tropenzon

  • 2 februari 2012
  • Martijn Blekendaal
Zoom

Het gezin Kuyck woont tussen 1924 en 1930 aan de Tamarindelaan in Batavia. Wekelijks gaan er brieven naar Nederland, en in 1928 wordt een filmcamera aangeschaft, waarmee de familie in Holland deelgenoot wordt gemaakt van de vreemde nieuwe wereld in Indiƫ. Het gezin is getuige van technologische vernieuwingen als de telefoon, maar ook van het groeiende nationale bewustzijn in de kolonie.

Drie jaar woont Rien Kuyck met haar echtgenoot Gerhard Kuyck in Nederlands-Indië als ze op 6 september 1927 in een brief aan haar familie in Holland een belangrijk nieuwtje aankondigt: ‘En nu zal ik jullie maar gauw vertellen, wat me al een paar weken in de pen gekriebeld heeft.’ Het klinkt alsof ze gaat vertellen dat ze zwanger is. Of ten huwelijk gevraagd. Maar geen van beide is het geval. Er blijkt iets anders aan de hand: ‘We zijn gefilmd’. De lading van die drie woorden is anno 2012 vrijwel niet te vatten. Filmen en gefilmd worden is tegenwoordig even vanzelfsprekend als telefoneren of televisiekijken. Niemand kijkt er van op. Maar voor Rien en Gerhard Kuyck was de confrontatie met een filmcamera een gebeurtenis van formaat. ‘We zijn toch zo benieuwd hoe jullie het zullen vinden, of je vindt dat het te vlug gaat, of je het duidelijk vindt, jullie moeten het ons eerlijk schrijven. […] Ben jullie nu erg verrukt, dan denken we er wel eens over om ook zoo’n toestel aan te schaffen. Wij zelf zijn wel erg verrukt van de resultaten.’

Zou de huidige digitale revolutie dezelfde overweldigende impact hebben als de opmars van radio, film en telefonie aan het begin van de twintigste eeuw? Zou er over tachtig jaar uit brieven en dagboeken geciteerd worden waarin op eenzelfde ontroerende wijze over de eerste kennismaking met internet, e-mail of Skype verteld wordt?

Want een revolutie was het: de opmars van radio, film en telefonie in het dagelijks leven midden jaren twintig. Omdat Gerhard Kuyck naar Nederlands-Indië was uitgezonden om leiding te geven aan een vestiging van De Nederlandse Telegraaf Maatschappij Radio Holland, maakte het gezin veel van de technologische ontwikkelingen van dichtbij mee. Zes jaar lang, van 1924 tot mei 1930 zouden Rien, Gerhard en hun drie kinderen (Woutertje, Gerhardtje en Guusje) in de archipel blijven, in een riante villa aan de Tamarindelaan in een rustige wijk van Batavia, Weltevreden. En iedere week zou Rien een brief schrijven aan het thuisfront in Holland. Uit die correspondentie, opgenomen in het boekje Met ons alles goed, en verwerkt in de gelijknamige documentaire van Erik Willems, wordt duidelijk dat het gezin in die periode niet alleen getuige is van turbulente technologische ontwikkelingen. Ook de politiek-maatschappelijke onrust gaat niet ongemerkt aan Rien voorbij. Zo is zij danig onder de indruk van de communistische relletjes die eind 1926, begin 1927 op Java en Sumatra uitbreken: ‘Is het toch eigenlijk niet meer dan erg dat geen een bureau van politie of militaire centraal punt een radioinstallatie heeft? Nu, in deze tijden van relletjes zal men pas gaan inzien het nut van de draadloze, niet alleen voor schepen of verbinding met Holland, maar juist onderling op Java.’ Van de schok die deze opstanden in Nederlands-Indië teweeg brengen – ‘doodschieten moesten ze de schurken’, schrijft Rien – zien we weinig terug in de films die Gerhard Kuyck tussen 1928 en 1930 naar Holland zal sturen, bij elkaar zo’n twee uur materiaal. De filmpjes lijken een ander doel te dienen: de familie in Holland deelgenoot te maken van de vreemde nieuwe wereld die plots de hunne is geworden.

Zoom

Vooral in de brieven van Rien worden de noviteiten in het leven van het gezin Kuyck telkens breed uitgemeten: de eerste keer dat ze gefilmd worden; de eerste intercontinentale vlucht tussen Schiphol en Batavia, de aanschaf van een eigen camera; en het eerste trans-Atlantische telefoongesprek met Holland, eind april 1928: ‘Nu ik jullie brief wil gaan beantwoorden, betrap ik mezelf erop dat ik een gevoel heb alsof daar heel oud nieuws in staat, na de groote emotie die we vrijdagavond doormaakten met het telefonische gesprek. Hoe vonden jullie het toch lieve menschen, wij waren zo opgetogen!! De stemmen waren zo duidelijk te herkennen. […] De afstand viel helemaal weg, we voelden ons als het ware in Den Haag…’

Het levert een mooi contrast op: de ‘traagheid’ van het postwezen – minimaal een week zit er tussen de brieven die Rien met ijzeren regelmaat naar Holland stuurt – versus de ongekende directheid van radio, film en telefoon. ‘Verbeeld je,’ schrijft Rien vol verwachting, ‘wat een nieuwe mogelijkheden opent dat weer!’ Begin april had Gerard op een zaterdagavond een eerste telefonisch experiment bijgewoond. Bij wijze van perspresentatie hadden enkele journalisten en vooraanstaande figuren met Holland mogen bellen. Nog versteld van de overweldigende belevenis had hij er Rien die avond meteen vol enthousiasme over verteld. ‘Gerard zei: het was eigenlijk zo duidelijk en gewoon, dat je moeite had je het wonder van dien ontzaggelijken afstand voor den geest te halen. Prachtig is het toch hè? […] Wie weet dus, als jullie dezen brief ontvangt, hebben we elkaar al gesproken. De PTT-menschen stellen zich hier voor nog aan het einde van dit jaar de draadloos-telefonische verbinding met Nederland voor het publiek open te stellen. De prijs zou dan bedragen slechts ƒ 30 per 3 minuten, bijzonder weinig, voor een beetje uitgebreid telegram betaal je al gauw dien prijs. Dit alles had Gerard gehoord. Je begrijpt hoe vol we dienavond ervan waren, Holland leek ineens zooveel dichter bij. Wat een vernuft toch, Holland houdt zich op dit gebied kranig.’

En zo levert Met ons alles goed niet alleen een intieme blik in de alledaagse beslommeringen van een Hollands koloniaal gezin in Nederlands-Indië. Maar ook een persoonlijke geschiedenis van de mediarevolutie tijdens het interbellum.

‘We hebben een filmtoestel gekocht’, meldt Rien begin februari 1928 onder toevoeging van drie dikke uitroeptekens. ‘Gerhard en ik waren er van tevoren al heelemaal vol van en vrijdag, den dag voor Gerhardjes verjaardag, gingen we bijna plechtig naar de Kodakwinkel om deze nieuwe bezitting in ontvangst te nemen.’

De eerste beelden die Gerhard met zijn 16mm-camera filmt, hebben de tijd overleeft. Een lachende baby, flarden van een kinderpartijtje in de tuin – alles nog zonder aandacht voor compositie of verhaallijn. Maar dat verandert snel, want Gerhard vat het filmen serieus op en kijkt met een kritische blik naar het materiaal dat hij schiet: ‘Heel leuke stukken zijn erin, sommige scènes zijn iets te lang, anderen iets te kort van duur, daar moeten we nog wat kijk op krijgen, maar de belichting is heel goed en de kinderen echt zoals ze zijn…’

Belichting lijkt zo onder de hoge felle tropenzon het grootste probleem. Rien schaft zelfs make up aan – ‘een rougestift en wenkbrouwzwart’ – om de harde contrasten in het gezicht wat te verzachten. Om de paar weken bericht Rien weer van een nieuwe ontwikkeling in het filmmaken. ‘We gaan nu probeeren,’ zo schrijft ze op 20 maart 1928, ‘zelf opschriften te maken.’ Aangemoedigd door de snelle vooruitgang die ze boeken, en content met het nieuwe medium, probeert Rien met man en macht om de familie in Nederland er van te overtuigen ook een filmcamera aan te schaffen. Volgens Rien stelt haar oude vader in Holland ‘die filmerij veel te moeilijk voor’. Eigenlijk, zegt ze, is het ‘eenvoudiger als fotografeeren: geen instellen en je hoeft niet op te letten of je kiekonderwerp stil staat. Alleeen de belichting is een voorname factor en je moet een beetje oog hebben voor wat aardig filmt en wat niet.’

Zoom

En zo staat het leven van de Kuycks vanaf de vroege lente van 1928 ‘heelemaal in het teeken van ‘de film’’. Gerhard heeft een projector gekocht, zodat de filmpjes nu thuis vertoond kunnen worden – ‘zoo maar een bioscope in ons eigen huis’ – en het gezin niet telkens naar de Kodak winkel hoeft om het geschoten materiaal terug te kijken. ‘En bovendien: door veel en aandachtig bekijken kun je toch ook beter de fouten zien die er gemaakt zijn.’

Uit die laatste toevoeging blijkt nog maar eens te meer hoe serieus zij het filmen nemen. ‘Als er bij ons gefilmd wordt, repeteeren we meestal niet maar spreken alleen af wat we zullen doen en beginnen dan op commando “los” van de operateur (meestal Gerhard). Gerhard neemt telkens kleine scenes tegelijk en het toestel zelf wijst dan aan hoeveel voet er verbruikt is.’ De filmpjes worden er inderdaad beter op. De vroege filmbeelden van het gezinsleven thuis – home movies zouden het tegenwoordig heten – maken in Met ons alles goed uiteindelijk plaats voor haast antropologische observaties van een steeds wijdere wereld. Eerst de rustieke lanen rond het huis in Weltevreden. Dan ook het drukke straatrumoer rond het Koningsplein. En nog weer later het Indische leven buiten de stad. En alles heel bewust, zo blijkt uit de brieven van Rien. ‘Nu,’ zo schrijft ze op 9 december 1928, ‘gaan we in de toekomst de familiefilms een beetje staken en ons speciaal toeleggen op het maken van typische Indische opnamen.’

Maar het doel blijft in essentie hetzelfde: de vreemde, oosterse wereld die hen omringt, vastleggen en ontsluiten voor de familie in Holland. Dus gaan de tripjes en tochten naar het binnenland altijd ‘gewapend met kiek- en filmtoestellen’ – en het handzame formaat van de Kodak camera maakt dat ook mogelijk. Weidse beelden van het Indische landschap, van rituelen, gebruiken en alledaagse taferelen, ‘de hoofdbewerkingen van de thee, de optocht van de hoofden met Nieuwjaar […] de rijstbouw, het ploegen van de sawahs, het vervoer van de padi (rijstvelden), uitzetten van de bibit [zaailingen] etc.’

Uit de beelden van Gerhard spreekt vooral de nieuwsgierige verwondering. ‘Hij jaagt gewoon met zijn camera en geen moeite is hem dan te veel, eenigzins tot hilariteit van de menschen hier, die zich over het algemeen niet bovenmatig inspannen.‘ Uit de woorden die Rien in haar brieven aan het filmmateriaal toevoegt, blijkt ook dat haar blik, hoeveel liefde voor land en volk er ook uit spreekt, wel degelijk gekleurd is door het koloniale perspectief.

Zoom

Wat dat betreft is het jammer dat de Kuycks niet net iets eerder met het nieuwe medium in contact waren gekomen. Dan had Gerhard het groeiende Indonesische zelfbewustzijn en gevoel van eigenwaarde, zoals zich dat na de communistische opstanden van 1926-’27 almaar scherper manifesteerde, wellicht op film kunnen vastleggen. Nu moeten we het helaas zonder bewegende beelden van de maatschappelijke onrust doen, en blijft het bij de observaties die zijn vrouw aan het papier toevertrouwt. Zoals tijdens een bezoek aan een van de attracties op de Pasar Gambir, de jaarlijkse markt en kermis in Batavia, met zoonlief Gerhardtje: ‘Het is anders wel merkwaardig hoe anders de inlanders over het algemeen zich gedragen, niet altijd vijandig, maar velen voelen zich volkomen gelijk met de Europeanen. […] Toevallig stond ik tusschen enkel inlanders en toen wij aan de beurt waren, zei een van hen, om te zien wel een van de meer gegoeden, tot mijn verbazing in volmaakt goed Nederlandsch: “U mag de kleine jongen wel wat optillen mevrouw, hij is nog te klein.” […] Het was heelemaal niet brutaal bedoeld, maar vroeger zou een inlander er toch niet aan denken een Hollandsche aan te spreken.’

Rien geeft haar echtgenoot vervolgens nog wel ‘een wenk om ze ongemerkt te filmen’, maar de beelden ontberen de lading die ze voor Rien en Gerhard gehad moeten hebben. Dat gebrek aan politiek materiaal lost Erik Willems in Met ons alles goed mooi op door Riens verhaal van botsende culturen metaforisch te illustreren met Gerhards beelden van botsautootjes op de Pasar Gambir.

Zou het een bewuste keuze zijn van Gerhard Kuyck om die veranderende koloniale verhoudingen buiten beeld te laten? Om de familie in Holland niet ongerust te maken? Om zijn eigen comfortabele maatschappelijke zelfbeeld niet te ondermijnen? Of beschikte de amateurfilmer Kuyck simpelweg niet over het (cinematografische) idioom om die nieuwe politieke realiteit in film(taal) te vatten? Zoals professionele cineasten als Joris Ivens dat wel konden en deden door middel van beeldcompositie en montage. Voor Gerhard Kuyck betekende montage niet veel meer dan het toevoegen van tekstkaarten en het verwijderen van mislukte beelden en scènes.
Hoe het ook zij, tegen de tijd dat het gezin alweer bijna naar Holland terugkeert, acht in ieder geval Rien haar echtgenoot Gerhard een volleerd filmer. ‘Hij heeft hier films gemaakt die geen vakman hem verbeteren zou.’

Eenmaal terug in Holland, eind mei 1930, laat de filmpraktijk het echtpaar dan ook niet los. Gerhard Kuyck wordt lid van de Haarlemse Smalfilm Liga. Later zelfs voorzitter. Naar verluid maakt hij een van de eerste kleurenfilms in Nederland. Van de wereldjamboree die in 1937 in Nederland plaatsvindt. Een jaar later legt hij zijn reis naar Egypte op beeld vast. Ook weer in kleur.

Uiteindelijk belandt hij als gevolg van zijn activiteiten voor het verzet terecht in het concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk. Daar komt hij eind 1943 te overlijden. Een klein monument voor de vroege amateurfilm in Nederlands-Indië achterlatend.

Dit artikel is verschenen in het Historisch Nieuwsblad, februari 2012.