Main Content

Eugène Dubois vond de "missing link" van Darwin Boek van de Week: de ontbrekende schakel

  • 4 mei 2007
Zoom

Wat beweegt een apothekerszoon uit het zuid Limburgse Eijsden om zijn familie, zijn geloof en zijn land vaarwel te zeggen om in Nederlands Indië de missing link tussen mensaap en mens te zoeken? Eerzucht, koppigheid en het verlangen naar eeuwige roem, niets minder dan dat. De arts Eugène Dubois zei in 1887 zijn positie aan de universiteit van Amsterdam vaarwel en stapte aan boord van het stoomschip Prinses Amalia om in Nederlands Indië aan te tonen, dat ook de mens in de evolutie past, en dat wij in die zin allen beesten zijn.

Eugène Dubois vond de "missing link" van Darwin

Daarvoor moest hij fossielen vinden van een dier dat anatomisch tussen de mensaap en de mens in staat. Een rechtoplopende aap, met een herseninhoud beduidend groter dan dat van de chimpansee, maar aanmerkelijk kleiner dan dat van ons. Dubois (1858-1940), opgegroeid aan de voet van de fossielenrijke Pietersberg, is al van jongs af aan vertrouwd met de versteende overblijfselen van verdwenen werelden. De evolutieleer is nog even jong als hij, maar toch dringt die ook tot Eijsden door. Een lezing van de Duitse evolutionist Karl Vogt brengt in 1868 Zuid Limburg in oproer. De kleine Eugène mag er van zijn vader niet naartoe, maar in de krant van de volgende ochtend spelt hij het verslag. Hij bemerkt het ongemak dat de nieuwe ideeën in de zo rustige leefwereld van het katholieke dorp teweegbrengen. En hij is verkocht. Na drie jaar lezen en piekeren staat zijn besluit vast: hij zal later de missing link vinden en daarmee het gelijk van de evolutieleer aantonen.

Dubois is een ambitieus en koppig mens. Hij heeft weinig geduld met obstakels op zijn weg, met katholieke gelovigen die zijn ideeën willen matigen, of universitaire meerderen die met zijn invallen aan de loop willen gaan. De academische betrekking die hij een tijdje bekleedt, loopt vast in onderhuidse conflicten met zijn hoogleraar, de anatoom Fürbringer. Vanuit een vaste overtuiging dat de bakermat van de mens in de tropen lag, verhuist hij zijn jonge gezin in 1887 naar Indië, waar hij als legerarts met tijd over in grotten gaat zoeken naar fossielen. Na een jaar krijgt hij van de overheid geld, dwangarbeiders en een paar KNIL officieren toegewezen om zijn werk full time voort te zetten. En na vijf jaar vindt hij, in een rivierbedding op Java, wat hij zoekt: een schedel, een dijbeen en een kies, die naar zijn vaste overtuiging alle aan eenzelfde dier hebben toebehoord. Het dijbeen is van een rechtoplopende mensaap, de schedel heeft een herseninhoud van 1000 cc (teveel voor een aap, te weinig voor een mens) en daarmee is zijn queeste volbracht. Hij noemt zijn halfmens Pithecanthropus erectus.

Eugène Dubois is op dat moment 39 jaar. En hij heeft nog een heel leven voor zich. De rest van dat leven is eigenlijk een onafgebroken zoektocht naar erkenning, die hem in de loop van de tijd maar mondjesmaat wordt gegund. Deels uit jaloezie, deels uit scepsis, maar deels ook door de weinig buigzame en moeilijke manier waarop hij de wereld tegemoet treedt. Zijn vrouw vervreemdt al snel van hem, zijn enige echte vriendschap loopt kapot op jaloerse verdenkingen en zijn zonen gaan hun eigen weg. Dubois trekt zich terug op zijn Limburgse landgoed De Bedelaar, waar hij een prehistorisch park aanlegt en iedere dag, zomer en winter, zijn baantjes zwemt in de vijver.

Zijn vondsten zijn nu onomstreden. Eugène Dubois had de homo erectus gevonden, één van de schakels tussen de mensapen en onszelf.

Mathijs Deen, redacteur van OVT

De ontbrekende schakel, door Pat Shipman
Uitgeverij Vorroux, E 32,-
ISBN 978-90-809092-5-0