Hoe Spinoza en Marx Europa een lesje leerden Boek van de week: De weg uit het getto
Over de joodse emancipatie is al veel geschreven. Maar een boek dat vrolijk en trots de prestaties van zulke uiteenlopende joden als Heine, Marx, Freud en Mahler op een rij zet, was er nog niet. De Amerikaanse journalist Michael Goldfarb schreef het. Het leverde een even onderhoudende als leerzame studie op.
De joden moeten net als alle onderdrukte volkeren hun identiteit op zich nemen in plaats van deze te ontwijken, schreef Sartre in zijn ‘Réflexions sur la question juive’. Ruim anderhalve eeuw eerder raadde een andere Franse denker de joodse medemens precies het tegenovergestelde aan: ‘Je zou tegen de afstammelingen van Abraham willen zeggen: wees Frans, Duits of Pools, houd eigenlijk eens op Arabier te zijn’, schreef deze anonymus in 1783. Tussen de twee goedbedoelde adviezen zat een oorlog in die de beperkingen van beide raadgevingen openbaarde. Desondanks lijkt met de twee aanbevelingen het dilemma van de joodse en wellicht van alle minderheden benoemd: aanpassen of zelfstandig en marginaal blijven.
Hoewel het de vraag is of de joden een keus hadden. De geschiedenis leert namelijk dat de joodse minderheid eeuwenlang niet bepaald welkom was in het christelijke Europa. De jood werd gedoogd en maakte daar het beste van. Over de worsteling met zijn opgelegde status die ook altijd een non-status was verscheen onlangs het boek ‘De weg uit het getto’ van de Amerikaans-joodse journalist Michael Goldfarb, zelf nazaat van ooit gevluchte Oost-Europese joden.
Goldfarb begint bij een van de eerste joden die uit het jodendom stapte, om niet te zeggen dat hij er door zijn eigen orthodoxe Amsterdamse gemeenschap uitgeschopt werd: Spinoza. De filosoof is voor de auteur om drie redenen zowel een zinnebeeldig als daadwerkelijk invloedrijk voorbeeld. Ten eerste wist hij dankzij zijn geestelijke superioriteit op eigen kracht een plek te veroveren in een intellectuele schaduwgemeenschap; daarnaast analyseerde hij haarscherp de geestelijke zwakheid van zijn tijd -- een even onberedeneerd als totalitair godsgeloof--; en tenslotte stelde hij zijn eigen ervaringen indachtig dat het doel van de staat was vrijheid te garanderen voor al zijn ingezetenen. Spinoza was zogezegd de eerste jood die ‘een kunstje’ flikte waarvan de goj niet terug hadden.
Welbeschouwd was met Spinoza alles al gedaan, maar velen moesten nog in zijn voetspoor treden en het zou nog ruim een eeuw duren voordat de gelijkstelling voor de wet tijdens de Franse Revolutie in 1791 voor het eerst geregeld werd en vervolgens door Napoleon werd verordonneerd aan een niet overdreven willig Europa. Goldfarb laat zien hoe Frankrijk zichzelf definieert tijdens de zogenoemde Nationale Vergadering als moederland van de burgerrechten door het debat over de geldigheid ervan uit te breiden tot de meeste verontrustende minderheid in het land, de joodse; en hij beschrijft hoe soortgelijks zich herhaalt in het liberale revolutionaire Duitse parlement van 1848.
De joodse emancipatie blijkt onderdeel van de nationalistische burgerlijke emancipatie. Ze lift er als het ware op mee, maar meer ook niet. Telkens weer zijn er perioden van terugval; van opheffing van verkregen rechten; en van hysterisch demoniseren, zoals bij de bloedbeschuldigingsaffaire in Damascus in 1840. Daar zouden joden een priester hebben ontvoerd en geslacht voor rituele doeleinden. Het voorval borduurde voort op een even kwaadaardige als hardnekkige middeleeuwse mythe die ook ditmaal als waarheid werd gebracht, deze keer niet door de kerk, maar door allerlei beschaafde kranten.
Elke jood had zijn eigen systeem om zichzelf een plaats te creëren, schrijft Goldfarb. De methodiek van Sartre, de eigenheid als voertuig, was echter weinig in zwang. Rahel Varnhagen, de dochter van Moses Mendelsohn, bekeerde zich, datzelfde deden Heine en zijn negentiende-eeuwse tijdgenoot en publicist Ludwig Borne, en zo deed ook de dirigent en componist Mahler. Ze etiketteerden zich als christen uit burgerlijke en niet uit innerlijke noodzaak. Ondertussen gaven ze er de ontvangende samenleving er in het spoor van Spinoza van langs. Varnhagen in haar literaire vrij denkende salons, Heine en Borne in hekeldichten en akelig scherpe artikelen, en Mahler met schokkende uitvoeringen van Beethoven.
Dat de buitenstaander de enigszins zelfgenoegzame bourgeoisie nog meer pijn kon doen bewezen de cultureel-geëmancipeerde joden die het westerse wereldbeeld op hun kop zouden zetten: Marx beroofde de samenleving van de godsvrede tussen arbeid en kapitaal, Freud van de christelijk-harmonieuze psychologie die terugging op Plato, en Einstein van alle zekerheden over alles. De drie grootste erfgenamen van Spinoza veroorzaakten, kortom, een omkering van alle westerse waarheden. Op den duur moest zulks tot rotzooi leiden, op het werk, in het hart en in het heelal.
Goldfarbs rijke studie gaat vooral over de eigenzinnige en voor de ontvangende samenleving pijnlijke integratie van individuele joden. Enig minpunt aan zijn boek is zijn geheel niet onderbouwde en uitgewerkte bewering dat er ook sprake was van een soort collectieve emancipatie. Deze is er in beperkte mate geweest en werd voortijdig onderbroken door ’40-’45. Bij Sartre is te vinden wat de emancipatie tegenhield, namelijk: het antisemitisme. Dit is, schrijft de filosoof in zijn ‘portret van een antisemiet’, een bepaalde gevoelstoestand van haat die voortkomt uit angst voor verandering, ooit moet dat angst geweest zijn voor Marx, Freud en de anderen.
Jos Palm, medewerker, OVT
Michael Goldfarb De weg uit het getto. Drie eeuwen emancipatie van de joden in Europa. Meulenhoff, Amsterdam. ISBN 9789029087483; 416 blz. E 29,95