Afscheidsbrief Maeyken Wens Column Nelleke Noordervliet
5 oktober 1573
Onlangs kreeg ik een brief onder ogen die was geschreven op 5 oktober 1573. Te Antwerpen. Zes jaar voor de Unie van Utrecht. Acht jaar voor de val van de stad en de sluiting van de Schelde. Hij is uiteraard in glas gevat, wordt bewaard in een doos en hoogstzelden aan belangstellenden getoond.
Het is een afscheidsbrief van een moeder aan haar oudste zoon. De zoon, Adriaan, is vijftien jaar. Hij heeft nog acht broertjes en zusjes. De moeder roept hem op goed voor hen te zorgen en niet te treuren om haar, want zij gaat naar een beter oord. De moeder, haar naam is Maeyken Wens, zit in de gevangenis te Antwerpen. Ze is gemarteld en haar is de mond gesnoerd met een tongschroef, opdat ze niet meer luid zal kunnen getuigen van haar vredelievend geloof. Ze is doopsgezind. De volgende dag zal ze verbrand worden aan de staak.
De brief is geschreven in een regelmatig handschrift. Ze is duidelijk een geletterde vrouw maar niet per se van hoge komaf. Haar man was metselaar. De brief bevat vrome aansporingen en ontroerende betuigingen van zorg en liefde voor haar gezin. Er blijkt een standvastig gemoed uit en een groot godsvertrouwen. De zoon zal aanwezig zijn bij de executie van zijn moeder, zijn kleine broertje op de arm. Als de vlammen haar leven nemen valt hij flauw. De volgende dag zoekt hij in de as naar de tongschroef die zijn moeder het spreken belette. Dat zien we op een aangrijpende prent van Jan Luijken.
Het is een gruwelijk verhaal, dat ik al kende, maar de emotie sloeg pas goed toe, toen ik de echte brief zag, en het handschrift van Maeyken Wens, en de vouwen in het papier, dat door zoon Adriaan ongetwijfeld op zijn hart werd gedragen. Ik werd zonder mankeren getransporteerd naar het verleden en had contact met de diepste menselijke emoties die van alle tijden zijn. Dat doet het echte, authentieke document. Het geeft de ervaring van de werkelijkheid, hoe ver in het verleden die ook ligt.
We denken weleens met de superioriteit van onze beschaving dat we de botheid en wreedheid van vervolging en discriminatie achter ons hebben gelaten. Daadwerkelijk gaat het er in de moderne wereld iets subtieler aan toe, maar kijken we om ons heen, dan zien we hoe dun het vernis is. En hoe machthebbers nog altijd weerloze minderheden als staatsgevaarlijk betitelen. Hoe mensen elkaar om geloof en levensovertuiging vervolgen en vermoorden. Het is een cliché, ik weet het, om daarover vroom het wijze hoofd te schudden, maar als we ons niet meer verbazen en beklagen over de aard van de mens, aanvaarden we willekeur.
Brief van Maeyken Wens aan haar zoon:
‘Och, mijn lieve zoon! Al ben ik hier van je weggenomen, leer van jongs af aan God te vrezen, dan zul je je moeder weerom krijgen hier boven in het Nieuw Jeruzalem, waar we niet meer van elkaar gescheiden zullen worden. Mijn lieve zoon, ik hoop je nu voor te gaan. Volg mij na, zo jij en alle anderen je ziel lief hebt, want er zal geen andere weg naar de zaligheid worden gevonden dan deze. Ik zal jullie allen aan de Heer aanbevelen. De Heer zal jullie bewaren. Ik vertrouw dat de Heer wel toe, als jullie hem zoeken. Hebt elkaar lief alle dagen van jullie leven. Omhels kleine Hans voor me, en als je vader jullie ook wordt ontnomen, zorg dan voor elkaar. De Heer beware jullie allemaal mijn lieve kinderen, kus elkaar voor me als herinnering aan mij. Adieu, mijn lieve, lieve kinderen allemaal. Mijn lieve zoon, vreest dit lijden niet, want het heeft niets te betekenen in het licht van de eeuwigheid. De Heer neemt alle angst weg. Ik wist van vreugde niet wat ik moest doen toen ik veroordeeld was. Blijf godvrezend ondanks deze tijdelijke dood. Ik kan God niet genoeg danken voor de grote genade die God aan mij bewezen heeft. Nogmaals adieu, mijn lieve zoon Adriaan. Wees toch goed voor je bedroefde vader alle dagen van je leven en doe hem toch geen verdriet. Dat smeek ik jullie allemaal, want wat ik tegen de oudste zeg, bedoel ik ook voor de jongste. Hiermee beveel ik jullie nogmaals aan de Heer aan. Dit heb ik geschreven nadat ik veroordeeld was en toen ik moest sterven om mijn getuigenis voor Jezus Christus, de 5de dag van oktober in het jaar onzes Heren 1573.