Direct in aanraking komen met wat we noemen ‘de criminaliteit’ is een ervaring die je je bijblijft als een smerige inbreuk op je bestaan. Een paar keer is mijn fiets gestolen. Ja, niets bizonders, dat overkomt iedere Nederlander. En toch, die hoogst enkele keer dat ik eraan denk, wil ik weer weten, welke infame handen dat slot kapot hebben gemaakt, welke kont op dat zadel heeft gezeten. Eén keer is mijn auto gestolen en weer teruggevonden. Die auto heb ik meteen verkocht.
Mijn meest ingrijpende ervaring speelt zich af ergens in het begin van de jaren tachtig. Ik schreef mijn columns voor NRC Handelsblad op een mooie Woodstock, een onverwoestbare mechanische schrijfmachine. Van een laptop had niemand ooit gehoord, internet bestond nog niet, laat staan email. Een rustige tijd, zou je denken. Ik kreeg met de hand geschreven dreigbrieven van iemand die het niet met me eens was, en die tenslotte grote verwoestingen heeft aangericht in het huis waar ik vroeger woonde.
In die tijd is de vakterm de ‘kleine criminalieit’ ontstaan. Wat is dat? Er bestaat, voorzover ik weet, geen wetenschappelijke definitie van. Heel vroeger had je de kruimeldieven, die een appel of een banaan van een groentekar gristen en hard wegliepen. Kantoorbedienden die een half velletje postzegeld gapten en daarom postzegeldiefjes werden genoemd. Allemaal uitgestorven. Een kleine crimineel is, denk ik, iemand van onder de dertig die hier en daar vecht, steelt, desnoods pooiert maar niet in die mate dat hij daardoor in de krant komt, laat staan op de televisie, en er meer dan een half jaar voor wordt opgesloten.
Gelukkig bestaan er statistieken. Op mijn zoektocht werd ik verwezen naar een nummer van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde uit 1977. Ik citeer: ‘Het aantal patienten dat in het ziekenhuis wordt opgenomen voor behandeling van door anderen opzettelijk toegebracht letsel, groet van jaar tot jaar, en is in een tijdsverloop van acht jaar twee tot drie maal zo groot geworden. De hoogste aantallen klinisch behandelde patiënten treft men aan bij de 20 tot 24 jarigen. Fracturen van de schedel, vooral die van de aangezichtsbeenderen, wonden, en letsel aan de inwendige organen zijn de meest voorkomende aandoeningen. In 1969 werden er 652 patienten geregistreerd, acht jaar later waren het er 1854.’ Voor 2010 heb ik nog geen cijfers kunnen vinden. Dit speelt zich allemaal af vóór de term zinloos geweld in de mode kwam, er stille tochten werden gehouden en met knuffels gegooid.
De beschaving schrijdt voort. In 1996 verklaarde bisschop Muskens in een VPRO prgramma dat hij het de armen niet kwalijk nam als ze af en toe eens proletarisch gingen winkelen, dat wil zeggen, hier en daar iets uit de schappen pakken en dat niet bij de kassa melden. Misschien dat het door onze lieve heer wordt goedgekeurd. Maar ook hier zijn weer twee partijen. Ik gun de armen alles. Maar voor de benadeelden is dit winkelen gewoon pikken, stelen, inbreuk maken op eeuwenoude afspraken, een belediging. Dat had de bisschop erbij moeten zeggen.
Ik kom terug op mijn boze lezer van een jaar of dertig geleden. Zou hij nu nog hebben geprobeerd, mijn interieur kort en klein te slaan? Nee. Hij had internet gehad. Hij had me tien keer per dag hartstochtelijk kunnen uitschelden, beledigen en er had geen haan naar gekraaid. Er zou eens een bloemlezing moeten worden gemaakt van wat boze mensen op internet ten beste kunnen geven. Het is de digitale hel. En dat wordt weleens vergeten, maar email bevordert de absolute vrijheid en in bepaalde gevallen wordt de criminaliteit ermee beperkt.
© foto Henk Hofland: Paul Levitton
