Merkozy Column Philip Freriks
De column van de oud-nieuwslezer Philip Freriks
In de deftige Parijse wijk waar ik destijds woonde, kwam ik met een zekere regelmaat De Gaulle tegen. Niet de generaal maar de admiraal. De zoon van...
Af en toe kocht hij wat bij mijn aangetrouwde tante die een chemiserie had waar ze naast overhemden ook stropdassen, zijden pyama’s en sokken met hun ophouders verkocht. Een assortiment voor heren van stand op leeftijd. De admiraal hield het meestal bij sokken.
Niet al te duur.
Hij was een beetje een krent, vond mijn tante.
Omdat de admiraal sprekend op zijn vader lijkt, was het toch altijd weer een kleine schok, die tersluikse ontmoeting met De Gaulle die De Gaulle niet was. Wel de gelaatsuitdrukking maar net niet die fiere houding. Dezelfde tuitende mond maar hij mag dan een aantal jaren senator zijn geweest, er kwam zelden iets uit dat de aandacht trok.
De admiraal heeft iets droevigs. Iets van een geslagen hond. Komt misschien door zijn afhangende wenkbrauwen. Hij droeg altijd dezelfde groene loden mantel met zo’n brede plooi achter in de rug. De uniformjas van het type bcbg, bon chic, bon genre. Een admiraal op het droge, in burger, met de sokken van mijn tante, anoniem op een Parijse avenue; zo te zien miste Philippe De Gaulle de woelige baren.
Als jong officier had hij zich tijdens de tweede wereldoorlog moedig gedragen. Maar pa liet hem niet toe tot het selecte gezelschap van de Compagnons de la Libération en ook de verzetsmedaille ging aan hem voorbij.
Ten onrechte volgens hen die het weten kunnen.
De generaal wilde elke schijn van nepotisme vermijden.
Ik wil me niet branden aan psychologie uit de Hema maar dit lijkt me typisch een geval van een vader-zoonverhouding die niet in het voordeel van de zoon uitvalt.
Je zal maar zo’n vader hebben. Door André Malraux bij zijn dood beschreven als ‘een eik die is geveld’.
Een eik van een staatsman die tot twee maal toe het vaderland redt. Door in 1940 als één van de weinigen de goede kant te kiezen. Hij werd daarmee de personificatie van de strijdende Fransen en gaf het collaborerende Frankrijk daarmee haar zelfrespect terug.
Twintig jaar later greep hij in in het – ik citeer - ‘heerlijke en giftige’ gekonkel van de politieke partijen die het voor het zeggen hadden tijdens de Vierde Republiek. Een republiek die politiek, financieel en moreel ten onder dreigde te gaan aan de Algerijnse oorlog. Met zijn zachte coup maakte hij de weg vrij voor een Vijfde Republiek die hem op het lijf geschreven was.
En toen boog de nieuwe Franse president zich over Europa. Toen nog van de zes, die net het Verdrag van Rome hadden ondertekend met het idee dat er ‘supranationaal’ om niet te zeggen ‘federaal’ iets moois zou kunnen ontstaan.
Dat zag Charles De Gaulle helemaal niet zitten.
Volgde een fameuze tirade met de woorden ‘, Je kunt wel als een geitenbok op je stoel wippen en uitroepen l’Europe, l’Europe, l’Europe maar dat wil niks zeggen, leidt tot niets.’
De generaal had een ander plan met woorden en uitdrukkingen die ons verbazingwekkend actueel in de oren klinken. Europa moest intergouvernementeel worden, vooral niet communautair. Geen macht afstaan, soevereiniteit.
Toen de andere Europeanen dat niet zo’n goed idee vonden – toen nog niet - achtte hij de tijd rijp voor een spectaculaire verzoening met Duitsland. Met instemming van Conrad Adenauer. Tienduizenden mensen waren op de been toen hij Duitsland bezocht. Ik hoor hem nog zeggen in zijn onwaarschijnlijke Duits: ‘Ich liebe Deutschland’. Het kwam hem op een ovatie te staan. Vader De Gaulle hield van juichende massa’s.
En zo heeft hij samen met Adenauer die fameuze Frans-Duitse motor van de Europese goggomobiel in elkaar geknutseld. Duitsland deed de economie, Frankrijk de grote politiek. Europa als Franse extensie.
Kortom, als in een uitzending van Spoorloos zijn we de biologische vader van Merkozy op het spoor. En inderdaad, politiek DNA wijst het uit: het is Charles De Gaulle, bijgenaamd Le Grand Charles.
En de admiraal?
Hij heet De Gaulle, maar dat is dan ook alles.