Column Alexander Münninghoff
Hoogoversschaaktoernooi
Gisteren is in Wijk aan Zee, gelegen onder de rook van de Hoogovens nabij IJmuiden, het Tata Schaak Toernooi begonnen. Het grootste ter wereld met 2000 deelnemers waar supergrootmeesters en derde klas onderknuppels gebroederlijk in dezelfde ruimte van de dorpssporthal ‘De Moriaan’ gedurende bijna drie weken hun voor de buitenstaander zo onbegrijpelijke bezigheden verrichten.
Ik hoor bij de generatie die nog steeds hardnekkig ‘Hoogovenstoernooi’ zegt want ik kom daar nu al voor de 48ste keer en dan weet je niet beter.
Wat me, omkijkend in de tijd, het meest treft is, dat het schaken in een snel tempo zijn uitstraling van intellectuele herenbezigheid is kwijtgeraakt. Schaakwereldkampioen Emanuel Lasker was een favoriete gesprekspartner van Albert Einstein en hetzelfde gold voor Hein Donner in zijn relatie met Harry Mulisch, Max Euwe was toonaangevend in de ontwikkeling van de computers, Hans Ree werd een columnist van grote filosofische hoogte en zo had je in de schaakwereld tientallen namen van gelauwerde schakers die buiten het spel ook heel wat te melden hadden. Schaken was vaak iets complementairs, iets wat men er bij deed om de geest scherp te houden. De topspelers behielden daarbij een maatschappelijk herkenbaar profiel, al was hun verhouding met het schaken vaak getormenteerd en waren er wel degelijk gevallen waarbij de schaakdemon met hen op de loop ging. Zoals dat bij wereldkampioen Bobby Fischer gebeurde; ik zie hem dan ook als een belangrijke schuldige aan de publicitaire neergang die het spel nu al jaren meemaakt. Wie zo abnormaal in het leven staat als Fischer deed, die, eenmaal wereldkampioen, geen serieuze partij meer speelde en als een jodenhatende kluizenaar leefde, blokkeert de weg naar publieke herkenning. De media wendden zich dan ook van hem , en daarmee van het schaken, af en het feit dat vervolgens de computer wel degelijk in staat bleek de mensenwereldkampioen Kasparov te verslaan, was de genadeklap. Schaken had zijn maatschappelijke relevantie als mensenspel verloren.
Het gevolg is dat het grotendeels een prooi is geworden voor cybernerds die op hun jongenskamertjes een innige relatie hebben met hun akelige electronica. De gemiddelde leeftijd van de huidige grootmeesters ligt steeds lager en het is veelzeggend dat de naam van het toernooi gereduceerd is tot een woordje uit de babybox: ‘Tata’. Waartoe deze dramatische inkrimping van postuur en levenswijsheid onder de topschakers zal leiden moet worden afgewacht. Ze worden er in elk geval niet interessanter op, lijkt het, en het mooie adagium van Godfried Bomans, die eens tegen de Hoogovensdirectie zei: “U hebt het geld, wij hebben de hersens!”, gaat niet meer op.
Eigenlijk is de reclamewereld de enige sector waarin aan het denkraam van de schaker nog een aantrekkelijk magisch imago wordt ontleend. Het zijn vooral de dure whiskymerken en computerfirma’s, alsook de levensverzekeraars, die fotomodellen peinzend met schaakborden en stukken laten stoeien. Het spel der koningen gereduceerd tot een intellectualistisch decorstuk.
Maar daar schuilt een gevaar in.
Onlangs zag ik in Berlijn in de boekhandel onder de titel ‘Zug um Zug’ het zoveelste levensverhaal van de voormalige Bondskanselier Helmut Schmidt, opgetekend door een zekere Peer Steinbrück. Op de omslag zie je beide mannen, met hun handen als roofvogels boven een schaakstelling hangend, in een hevig dispuut verwikkeld. Het gaat ongetwijfeld over de vraag, wie er gelijk heeft.
Het is een mooi plaatje voor een boek dat gaat over een man die altijd al de pretentie had de wijsheid in pacht te hebben. Helmut Schmidt was nooit vrij van arrogantie en nu, op zijn 93ste, is hij nog steeds iemand die voor een grote meerderheid van de Duitsers een niet meer stuk te krijgen reputatie als visionair politicus heeft.
Maar dat beeld dreigt nu aan stukken te gaan. Want op die foto staat het bord verkeerd ! Aan de linkerhand van beide spelers hoort een zwart hoekveld te liggen, maar hier zie je een wit veld, en dan kun je eigenlijk niet echt spelen. Ik zeg er meteen bij, dat in misschien wel meer dan de helft van de reclames met schaakstukken deze flater begaan wordt. Het effect is echter wel, dat de hele scène meteen iets afgrondelijk doms krijgt. Zoals beide heren nu staan afgebeeld zijn zij slechts te vergelijken met twee apen die met een omgekeerde keu één enkele bal proberen te raken.
Dat ligt niet aan het spel der koningen, maar wel aan de respectloze manier waarop er door onbevoegden mee wordt omgegaan.