Hoofdinhoud

Column Nelleke Noordervliet

  • 19.02.2012

De heilige Lidwina van Schiedam

Ik heb de afgelopen dagen veel moeten denken aan de heilige lidwina.
Lidwina van schiedam was onze eigen heilige. Ze werd ons katholieke meisjes voorgehouden als een groot voorbeeld. Zo geduldig, zo lijdzaam, zo vroom en toch zo opgewekt. Het was een echte, gezonde hollandse meid, die veel van schaatsen hield. De kleine ijstijd was net ingetreden, zodat ze haar lol op kon. Op 2 februari 1395 of daaromtrent, lidwien was veertien jaar oud, begaf ze zich met haar vriendinnen op het ijs, kwam ten val en stond de volgende 38 jaar niet meer op van haar legerstede. Maar, zo verzekerde ons meneer pastoor, er kwam geen klacht over haar lippen. Integendeel. Ze kreeg visioenen en bewerkstelligde wonderen. Ten slotte had ze zelfs jarenlang geen eten of drinken meer nodig. Het hemelse manna van de liefde gods en de heilige hostie strekte haar tot voedsel. Wij slikten die verhalen als zoete koek en verwonderden ons vooral over de extreme braafheid in een zo jong kind die iets uitdagends en demonstratiefs had. Daar konden we nooit tegenop. Moedeloos werd je van dat soort voorbeelden. Achterbaks waren die vrome meiden eigenlijk.

Uiteraard werd ons de waarheid nooit verteld. Dat heiligheid vooral te maken had met hysterie of psychoses en dus eigenlijk een ziekte en een te behandelen toestand is, werd pas later duidelijk.
De details uit de hagiografie werden ons onthouden. In het begin schijnt ze namelijk nogal opstandig te zijn geweest. Het duurde even voor ze zich aan het lijden overgaf. Tal van gruwelijke verschijnselen begeleidden haar ziekbed, openbrekende gezwellen, tevoorschijn kruipende wormen, een totaal verrot onderlijf, als je haar zou optillen viel ze uit elkaar. Door het vele huilen werd ze blind. Intussen kreeg ze mystieke ervaringen en vertoonde zich op verschillende plaatsen tegelijk. Een vertrouwd scenario. Het leven is een aaneenschakeling van droefenissen, maar een vleugje hysterie helpt je aan een riante plaats in de eeuwigheid.

De vraag die ik mij de afgelopen dagen stelde is hoe de val op het ijs van verleden week mijn leven had beinvloed, ware ik tijdgenote geweest van onze lidwien. Een gebroken heup en een bijna verbrijzelde pols hadden me helse pijnen bezorgd, die hooguit met de brandewijn van schiedam te bestrijden waren geweest. Wekenlang zou ik dronken te bed hebben gelegen. Doorligwonden hadden het lijden verergerd. Het bot zou scheef zijn aangegroeid. Nooit zou ik meer normaal hebben kunnen lopen.

De pastoor had misschien ongeduldig voor mijn stulpje geijsbeerd in de hoop op een eigen wonder, een eigen heilige. Hij zou me hebben gewaarschuwd, bepredikt, bezegend en wat al niet. En het enige waar ik misschien om had gevraagd was de vliegende brigade van de vrijwillige euthanasie.
Gelukkig is de gezondheidszorg sterk verbeterd.