Hoofdinhoud

Column Alexander Münninghoff

  • 29.01.2012

De column van de journalist Alexander Münninghoff

Er wordt tegenwoordig veel geklaagd over en angstig geanticipeerd op de Crisis. De economie gaat achteruit, de banken staan op springen, op de pensioenen zal worden gekort en wij weten niet beter te doen dan radeloos naar schuldigen aan dit alles te zoeken en gelaten de onheilstijdingen over ons heen te laten komen.
Terwijl dit op gang gekomen tijdsgewricht nu juist een uitnemende kans biedt aan ons Nederlanders om onze traditionele eigenschappen, die geen enkel ander volk in die mate heeft, weer te herontdekken en tot middel om die crisis te doorstaan aan te wenden: spaarzaamheid, kennis van de dunne spoeling, schraperigheid. Dat zijn we allemaal in een paar decennia van overstromende luxe kwijtgeraakt, maar het sluimert nog ergens diep in onze Nederlandse inborst, wachtend op reanimatie. We zullen moeten definiëren wat de tering ook alweer was om die vervolgens weer naar de nering te zetten. Bessenappel in plaats van wijn en griesmeelpudding in plaats van tiramisu in de keuken waarin schraalhans weer heer en meester is. Hoe lang geleden was het dat we maar twee keer per week vlees aten en de jus opspaarden voor in het kuiltje in de boerenkool van de volgende dag? En dat een week kamperen in Brabant het toppunt van vakantie betekende?


Dat we inderdaad terug moeten naar een soberder leven is voor velen een rampzalig vooruitzicht, maar dat vind ik een voor Nederlanders onterechte reactie. De Tachtigjarige Oorlog, waarmee onze Europese identiteit gestalte kreeg, ging immers voor een groot deel om het verwerpen van de katholieke weelde van het Spaanse hof, waar onze opstandige buitengewesten het strenge, van alle franje ontdane protestantisme tegenover stelden. We zijn toch geen Levantijnse levensgenieters zoals de Grieken of de Italianen die nooit belasting betaald hebben en nu moord en brand schreeuwend als kinderen de straat op gaan als hun mooie leventje onder de zon door ingrepen van Brusselse hogerhand wordt verstoord? En evenmin zijn we sufgedrilde Russen die er al eeuwen aan gewend zijn geraakt dat er nu eenmaal een kleine klasse van uitbuiters is en altijd zal zijn, die de rest genadeloos zal uitzuigen, zodat het verstandig is om je gedeisd te houden. De komende soberheid is nu juist onze natuurlijke habitat, alleen zijn we de vaardigheid om ermee te leven in ons polderlandje kwijtgeraakt.
Met het hiervoor gezegde samenhangend is de aloude Nederlandse neiging tot kat uit de boom kijken, beknibbelen en bezuinigen. Die is allerminst verdwenen, denk ik. In het buitenland wordt ons dat vaak nageroepen: “Kijken, kijken, niet kopen!” en het afdingen zit de Nederlanders in het bloed, daar kan elke Franse of Spaanse dorpsmarkt van meepraten. Allemaal eigenschappen die ons in de komende periode te stade zullen komen.


Ikzelf ben in dit opzicht, zo heb ik gemerkt, met mijn half-Russische achtergrond toch minder goed geëquipeerd, wat uit enkele voorbeelden moge blijken. Zo bereikte mij, toen ik in Moskou woonde als correspondent, een verzoek of ik een schoolklas uit Nederland thuis wilde ontvangen. Ik stemde toe en op de vraag van het schoolhoofd wat ik daarvoor wilde hebben zei ik dat we op dat moment in Moskou twee tekorten hadden: koffie en wcpapier. Dus u kunt zich voorstellen hoe content mijn vrouw en ik waren dat we na afloop van de sessie veertig rollen pleepapier kregen aangereikt. Ik geloof dat er van het hele gezelschap maar twee leerlingen waren die een pak koffie bij zich hadden.


Het tweede voorbeeld is minder kwalijk, maar wellicht nog wat authentieker. Ik verzamel sovjetparafernalia: als er maar een hamer en sikkel of een rode ster op staat vind ik het goed. In Riga, toen nog de hoofdstad van de Sovjetrepubliek Letland, kocht ik vijf oorlogsmedailles, door berooide veteranen op de markt gebracht. Die deed ik in mijn koffer, maar bij de grenscontrole kwam dat aan het licht en werd ik uit mijn Nederlandse reisgroep gehaald en door maar liefst vijf Letse douaniers naar een verhoorkamer gebracht. Daar zaten de commandant en de tweede man van de afdeling, beiden Russen. Ze stuurden de Letten weg en begonnen tegen mij uit te varen. Vooral die tweede man was heel fel tegen mij: wist ik wel dat er sovjetbloed voor die medailles was vergoten? En daar ging ik nu in het kapitalistische Nederland goede sier mee maken? Uitgesloten!
Ik richtte me tot de commandant en zei dat ik zeker bereid was een ‘spetsnalog’, een speciale belasting, te betalen. Van laten we zeggen 50 Deutschmark, voor elke medaille een tientje. Daar werd de nummer twee razend over, maar toen hij zag dat zijn baas er wel oren naar had liep hij briesend weg, draaide zich bij de deur om en zei: “Ik ben hier tegen, maar één ding is zeker. We zijn met z’n zevenen en vijftig is niet deelbaar door zeven, dus zeventig Mark”.


Die ik prompt betaalde. Met een blij gevoel, dat ik zo goed mijn weg had weten te vinden in het dagelijkse omkoopcarrousel in de Sovjetunie, voegde ik me weer bij mijn groep wachtende landgenoten en vertelde mijn wederwaardigheden. Waarop ik meteen de repliek kreeg: “Sukkel, je had 49 Mark moeten bieden!”
Hoe zou je dit moeten noemen? Hollandse gehaaidheid, denk ik. Ook weer een eigenschap die ons in de komende moeilijke tijden overeind zal houden.